In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Anne Last.
Waarom zou je meedoen? Een kritisch betoog over de participatie-ideologie van de e-democratie
door Anne Last

Inleiding: De paradox van e-participatie
Sinds de jaren ’90 werd er door enkele optimisten het idee van de een digitale democratie geopperd. Een nieuwe overheid gemedieerd door de destijds nieuwe technologie van het internet. Pessimisten wezen juist op de mogelijke gevaren van meer overheidsregulatie van ICT’s en voorspelden zelfs een daling van burgerparticipatie op deze wijze (Van Dijk 2006: 104). Nu, meer dan 20 jaar later is de discussie opnieuw leven ingeblazen mede door de gebeurtenissen omtrent de Arabische Lente in het Midden-Oosten. Echter ook in Nederland zijn er meerdere grote initiatieven om burgerparticipatie via digitale communicatiemedia te laten verlopen, zoals Verbeterdebuurt.nl.
In dit betoog wordt het idee van het technologisch imaginair besproken in het licht van macht en democratie. In het eerste hoofdstuk wordt de aanname uiteengezet van het vooruitgangsdenken dat techniek en digitale communicatiemedia de burger in het digitale tijdperk anno 2012 daadwerkelijk handelingsvermogen en hiermee meer macht zou geven. Doordat iedereen een stem lijkt te krijgen via de digitale snelweg kan technisch gezien iedereen gehoord worden met tot gevolg dat iedere stem de potentie heeft bij te dragen aan een groter draagvlak. Dat deze potentie niet per definitie bijdraagt aan een directe democratie wordt in hoofdstuk twee besproken, waar met name onzichtbare disciplinerende machten worden uitgelicht. Hier staat de vraag of de huidige representatieve democratie door de burger als een meer directe democratie gepercipieerd wordt door het gebruik van nieuwe media centraal. Dit leidt ten slotte tot het laatste hoofdstuk waar ik beargumenteer dat de utopische aanname over de democratiserende kracht van e-participatie niet terecht is en genuanceerd dient te worden.
De inspraak van een participerende burger lijkt het schoolvoorbeeld van een democratie. Steeds meer gemeentes maken gebruik van e-participatie, een manier waarop de burger een stem krijgt via de digitale media (Verbeterdebuurt.nl 2012a). In dit onderzoek gebruik ik als voorbeeld van e-participatie het platform Verbeterdebuurt.nl. De burger kan zijn stem laten horen via dit platform om vervolgens direct naar de gemeente doorgespeeld te worden. De keerzijde van e-participatie en de schijnbare macht die de burger lijkt te krijgen is de onzichtbare commerciële kant van dit plaatje. Het handelingsvermogen van de burger wordt meestal gefaciliteerd door commerciële partijen of andere belanghebbenden. Het ontbreken van online transparantie is een cruciale reden die het naar mijn inzicht noodzakelijk maakt dit betoog te schrijven. Trebor Scholz verwoordt dit als volgt: “[t]he problem is not that Web presence is monetized but that more often than not, the social contract between user and platform owner is breached through a lack of transparency such as privacy ‘agreements’ in the small print” (Scholz 2008). Kwesties als privacy, verzameling van persoonsgegevens en groei van het marktaandeel zijn vaak niet direct zichtbaar maar kunnen wel indirect ten grondslag liggen aan initiatieven als Verbeterdebuurt.nl.
In dit betoog poog ik ernaar een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van kennis in het huidige discours rondom het gebruik van digitale communicatiemedia. Het geeft inzichten vanuit een historisch perspectief in beoefening van democratie waarbij de rol van onzichtbare vormende machten en het technologisch imaginair gecombineerd wordt met de kennis van e-participatie om hiermee tot nieuwe inzichten te komen en de wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek vorm te geven. Daarnaast ligt de maatschappelijke relevantie in het vergroten van de kennis en transparantie voor de burger, waarbij het maatschappelijk debat in kaart wordt gebracht. Tevens streef ik binnen deze context voor bewustwording onder burgers. Het is in het publieke belang dat de burger voorzien wordt van objectieve, belangeloze informatie en niet in de ideologische schijn van participatie leeft. Daarom wordt de stelling “Het technologisch imaginair wat gepaard gaat met e-democratie laat de burger verkeren in een participatie-ideologie” in dit betoog onderbouwd. De deelvragen richten zich op de geschiedenis van macht en democratie in de samenleving waarna ik in zal gaan op de hedendaagse opvatting van het technologisch imaginair en de uitvoering van de moderne vormen van democratie. Hierbij wordt onder andere de theorie van de Frankfurter Schule en Michel Foucault gebruikt. Vervolgens wordt het begrip e-participatie uiteen gezet en wat dit concreet kan betekenen voor de burger. Ten slotte wordt er geconcludeerd dat we leven binnen een heersende participatie-ideologie die mede door het technologisch imaginair wordt vormgegeven.
Het technologisch imaginair: de droom van participatie
Zo ver de ontwikkeling van de technologische geschiedenis reikt, gaat de komst van een nieuw medium gepaard met het idee van het revolutionaire; uitvindingen die grote gevolgen hebben voor de processen in de Westerse samenleving. Mijlpalen uit de geschiedenis van grote veranderingen door de komst van technologie zijn bijvoorbeeld de introductie van de drukpers en de stoomtrein (Snooks 2002). Dat beide uitvindingen een onuitwisbare invloed op de facetten van het dagelijks leven hebben gehad behoeft hier geen nader betoog. Echter een fenomeen dat minder direct zichtbaar is en mede daarom zinvol om te benoemen, gaat tevens gepaard met de komst van nieuwe technologische uitvindingen. Het is de utopische droom die het ideaalbeeld van gebruikers van genetwerkte draadloze technologieën kan waarmaken. Er lijkt keer op keer een nieuwe wereld open te gaan wanneer er een technologische inventie gedaan wordt, waarbij het geprojecteerde verlangen telkens een beetje dichterbij lijkt te komen. In dit hoofdstuk wordt dit verlangen besproken in het licht van de opkomst van nieuwe technologieën aan de hand van het begrip technologisch imaginair.
De komst van het World Wide Web (WWW) zoals Tim Berners-Lee dit in 1994 ontwikkelde is tevens te zien als een mijlpaal (Castells 2002: 16). Sindsdien is het dagelijks leven van een burger fundamenteel veranderd. Dit geldt voor de manier waarop we onze vrije tijd en entertainment ervaren, maar ook hoe we vriendschappen opnieuw vormgeven. Manuel Castells, informatiewetenschapendeskundige, opent het eerste hoofdstuk van zijn boek The Internet Galaxy (2002) met de woorden dat het internet het weefsel van ons leven is (Castells 2002: 1). Met deze metafoor demonstreert hij de impact van het internet waardoor iedereen met elkaar verbonden is. Door de digitalisering van technologische netwerken staan gebruikers van mobiele communicatie apparaten (denk hierbij aan smartphones, laptops en andere draadloze genetwerkte nieuwe media) continu met elkaar in verbinding in een hybride ruimte (De Souza e Silva 2006). Via de interface van een mobiel apparaat dat verbinding heeft met een netwerk wordt deze hybride ruimte gecreëerd, een onzichtbare digitale laag die alle gebruikers met elkaar in een netwerk verbindt.
Deze hybride ruimte wordt gecreëerd door de gebruikers van nieuwe mediatechnologieën, een veelgehoorde term in het populaire discours anno 2012. Zoals aan het begin van dit hoofdstuk het revolutionaire van de komst van nieuwe technologieën benoemd is, is dit tevens terug te vinden in de draadloze genetwerkte nieuwe media. De Engelse professor Kevin Robins vat dit aspect van de huidige techno-cultuur samen: “[a]s if the technological future would be another world, a utopian world, a world more in conformity with our desires and our ideals” (Robins 1996: 11). Wat Robins hier zegt is dat de perceptie van de komst van nieuwe technologieën gepaard gaan met een positieve connotatie, waarbij technologie een belangrijke vervullende rol speelt. Technologie kan immers nieuwe producten zoals robots ontwikkelen en de ideale omgeving creëren. Kortom, technologie kan dromen tot werkelijkheid maken.
Binnen de cultuur- en mediastudies wordt deze gedachte geconceptualiseerd tot het begrip technologisch imaginair. Bij deze vorm van vooruitgangsdenken kunnen we de vraag stellen hoe een fysiek onzichtbaar fenomeen dat zich op de achtergrond in de hybride ruimte afspeelt, idealistische gedachten projecteert op de samenleving. Het imaginair vindt haar oorsprong in de psychoanalysetheorie van Franse postmodernist Jacques Lacan waarbij het imaginair als aanvulling wordt gezien op iemands zijn, een projectie op datgene wat iemand nastreeft om zich compleet en volledig te voelen. Concreet genomen is de ‘iemand’ in deze context een gebruiker van nieuwe mediatechnologieën, die bijvoorbeeld zijn ideale zelf creëert middels een fictieve avatar in een web community (Robins 1996: 15, Lister et al. 2009: 67, De Vries 2009: 83).
Ook digitale gebruikersparticipatie gaat gepaard met het technologisch imaginair. Denk hierbij aan de niet onrealistische gedachte dat iedere gebruiker van YouTube vanuit zijn slaapkamer beroemd kan worden. Dit resulteert in een compleet nieuwe stroming artiesten, zoals de Nederlandse Esmée Denters die ontdekt is via haar filmpjes op YouTube. Een van de nieuwe manieren waarop een internetgebruiker zijn droom om beroemd te worden kan verwezenlijken. In het boek Bastard Culture! (2011) laat Mirko Tobias Schäfer zien dat deze vorm van participatiecultuur niet alleen maar lovende woorden toekomt, maar dat er ook gekeken moet worden naar de context waarin een productie tot stand komt.
In dit betoog kijk ik kritisch naar de context waarin e-participatieplatform Verbeterdebuurt.nl tot stand komt. Verbeterdebuurt stimuleert burgerparticipatie binnen de lokale gemeente waardoor ideeën gedeeld en problemen opgelost kunnen worden die door de burger gemeld zijn via het platform middels hun smartphone of computer. Dergelijke initiatieven wekken de indruk dat zij zorgen voor vooruitgang; een verbetering van het huidige klimaat waarbij de rol van de burger van grote invloed kan zijn. Een stap in de richting van een directe en verbeterde democratie middels e-participatie. De kaders waarbinnen deze gebruikersparticipatie tot stand komt worden in de volgende twee hoofdstukken besproken.
In het debat van het huidige discours zijn de meningen verdeeld over de vraag of e-participatie een democratiserende werking heeft. Er zijn kortweg twee dominante meningen te onderscheiden: de cyberutopians en de tech-pessimists. In de media wordt met name de nadruk gelegd op de utopische kant van het imaginair waar veelal positieve connotaties worden gedaan. Het kamp van de cyberutopians wordt onder andere vertegenwoordigd door Paul Levinson die zich hoofdzakelijk profileert als volger van mediawetenschapper Marshall McLuhan. Levinson ziet het digitale tijdperk als een tijdperk van verbetering en stelt onder andere dat online participatie kan leiden tot een directe democratie. Hier tegenover staan de tech-pessimists die het technologisch imaginair juist op de tegenovergestelde manier interpreteren, waarbij het imaginair gezien wordt als een vervreemding van de verbeelding en het verlangen. Onderzoeker Evgeny Morozov vertegenwoordigt het laatstgenoemde standpunt in dit debat. In zijn recent gepubliceerde boek The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom (2011) positioneert Morozov zich lijnrecht tegen Levinsons standpunt. In de volgende hoofdstukken belicht ik beide standpunten in dit debat. Ik maak duidelijk waarom Levinsons visie te rooskleurig is aan de hand van diverse voorbeelden en waarom een genuanceerde kritische blik die Morozov aanreikt noodzakelijk is.
Een kritische blik op macht en democratie
In het Volkskrant artikel ‘Internet kan onze democratie verdiepen en versterken’ van de zogenoemde 2.0-ambtenaar Davied van Berlo wordt de positieve connotatie tussen internet en democratie wederom opgeroepen (Van Berlo 2011). Van Berlo refereert in dit artikel naar Isaac Asimovs idee uit 1955 over het sciencefictionverhaal Franchise, waarin een elektronische democratie gesticht wordt. Met de term democratie 3.0 vertaalt Van Berlo Asimov naar ons huidige tijdperk, waarin op bijna wiskundige wijze de data van burgerbehoeftes gemonitord kan worden en tegelijkertijd ten uitvoering gebracht wordt. Een in mijn ogen onterecht geïdealiseerde gedachte die de schijnbare cohesie tussen gebruik van nieuwe mediatechnologieën en een verbeterde democratische maatschappij probeert te bevestigen.
In dit hoofdstuk wordt duidelijk waarom het continu verzamelen van burgerdata en e-participatie geen verbetering zal zijn van de huidige representatieve democratie zoals Van Berlo dit voorstelt. Voordat hier op wordt ingegaan is het eerst zinvol om een duidelijk beeld te schetsen middels het werk van Michel Foucault, hoe macht en discipline in de democratische samenleving ontstaan is en welke vormen hiervan te onderscheiden zijn. Ten slotte wordt het hoofdstuk afgesloten met het antwoord op waarom er sprake is van een schijnmacht binnen digitale participatiemogelijkheden. De suggestie die dikwijls gewekt wordt in artikelen zoals hierboven beschreven is bijvoorbeeld dat de participatiemogelijkheden van het internet de individuele gebruiker meer macht en vrijheid geeft, zoals het dit geval zou zijn bij Verbeterdebuurt.nl. Heeft de gebruiker hier daadwerkelijk macht of leeft hij alleen in deze waan?
De Franse postmodernistische denker Michel Foucault zet het ontstaan van een gedisciplineerde maatschappij uiteen in zijn artikel ‘Discipline and Punish: The Birth of the Prison’ (1977), waarbij hij het ontwerp van het panopticon van de Britse filosoof Jeremy Benthams centraal stelt. Dit ontwerp van de perfecte gevangenis maakt gebruikt van wat Foucault noemt power-knowlegde. Het concept is gebaseerd op het feit dat kennis macht is, de gevangene weet door de architectuur van de gevangenis niet of hij wel of niet bewaakt wordt. Dit resulteert in het feit dat hij zich continu bewust is dat er mogelijk een bewaker aanwezig is en hier zijn gedrag op aanpast. Foucault stelt dat macht altijd aanwezig is, al dan niet onzichtbaar werkt. Niet alleen binnen de deuren van de gevangenis werkt deze vorm van macht, maar deze wordt bijvoorbeeld ook zichtbaar op school, op de werkvloer, in het ziekenhuis en binnen het gezin. Net zoals in het panopticon is de onderdrukte gedisciplineerd geraakt door de zijn omgeving en gedraagt hij zich hiernaar. De machthebbende hoeft dus geen continue druk uit te hoeven om autoriteit af te dwingen maar gaat uit van geïnternaliseerde zelfdiscipline (Foucault 1977).
Foucault overdenkt dergelijke maatschappelijke veranderingen. Hoe heeft het tonen van macht en autoriteit in de maatschappij zich van publiek vierendelen naar een gedisciplineerde samenleving kunnen verschuiven binnen een eeuw? Waar vroeger terechtstelling publiekelijk plaatsvond, dus transparant was, werd later steeds meer achter gesloten deuren gehouden, zoals in het panopticon. Wanneer deze gedachte doorgetrokken wordt naar ons huidige digitale tijdperk, kan er gesteld worden dat we leven in een moderne versie van het panopticon (Rheingold 1993: 14). Terwijl internet transparant lijkt te zijn, is er altijd een hogere disciplinerende macht waarin de gebruiker zich schikt. Enerzijds is er een oneindige stroom van informatie en zijn er talloze participatiemogelijkheden die internetgebruikers tot hun beschikking hebben, terwijl anderzijds Google en Facebook technisch gezien de hogere autoriteit vormen die hun gebruikers faciliteren en hiermee indirect disciplineren (Morozov 2011: 159-60). De overtreffende trap hiervan zijn overheden die internetgebruik beperken en reguleren, echter dat wordt hier buiten beschouwing gelaten. Het idee van het moderne panopticon kan op het platform van Verbeterdebuurt.nl gelegd worden, het een lijkt transparante stichting zonder commerciële belangen, terwijl de data van participerende burgers buiten het zicht van hen om verkocht wordt aan gemeentes via het moederbedrijf CreativeCrowds BV. Dit bedrijf werkt volgens het freemium-model, volgens Chris Anderson is dit model “one of the most common Web business models” (Anderson 2008). Door het basisgebruik van de site gratis beschikbaar te stellen komt dit de expansie van het platform ten goede. Hierbij worden premium-producten aangeboden in de vorm van Verbeterdebuurt Plus, om gemeentes goed gebruik te laten maken van de data voorziet CreativeCrowds tegen betaling in diverse software services (Lens 2012). Deze betaalde diensten legitimeren het bestaan van Stichting Verbeterdebuurt en zijn hiermee de onmisbare bron van inkomsten die CreativeCrowds bestaansrecht geven.
Het hiaat wat hier naar mijn inzicht benoemd moet worden is hoe gebruikersdata ongemerkt veranderen in handelswaar ten behoeve van CreativeCrowds. Ervan uitgaande dat niet alle gebruikers dit problematisch vinden, mist er wel degelijk transparantie in deze constructie. Een gebruiker zou hierin tenminste de keuze om wel of niet bij te dragen aan commerciële doeleinden moeten krijgen. Volgens het huidige model is de gebruiker is in de veronderstelling dat hij een actief participerende burger is die zijn steentje bijdraagt aan de democratie, terwijl zijn data zonder medeweten als input voor commerciële doeleinden dient.
In een later werk richt Foucault (1982) richt zich wederom op de ontsluiering van machtsrelaties. In ‘The Subject and Power’ beschrijft de filosoof hoe een subject in de samenleving gevormd wordt door onzichtbare machten. Middels deze tekst benadrukt Foucault dat het van belang is bewust te zijn van vormende machten om ons heen, om deze op te zoeken en tevens te bevragen. Foucault streeft er naar om normaliseringsprocessen bloot te leggen middels het subject-denken (Foucault 1982). Door alles te bevragen wat wij als normaal ervaren worden machtsrelaties zichtbaar. Door te bevragen hoe Facebook omgaat met onze gegevens blijkt dat gebruikers vaak meer van hun privacy opgeven dan zij daadwerkelijk bewust van zijn (boyd en Hargittai 2010).
Een individu is zich volgens Foucault niet bewust van macht, omdat hij deze als normaal ervaart en geaccepteerd heeft (Foucault 1982). De participatiemogelijkheden op het internet geven de gebruiker het idee dat hij zich vrij kan uiten en binnen zijn eigen mogelijkheden macht kan ervaren. Echter, wanneer we deze situatie kritisch bekijken blijkt dat de gebruiker binnen de dominante macht gestuurd en gedisciplineerd wordt. De macht, ofwel invloed, die de gebruiker voelt is naar mijn mening relatief. Gebruikers kunnen alleen onder bepaalde voorwaarden participeren en zo hun bijdrage aan de democratie leveren.
Dit zijn de disciplinerende kaders die Verbeterdebuurt.nl stelt, zoals de kennis van het bestaan van de site, het vereiste van internet(vaardigheden), meldingen worden tegen betaling doorgestuurd met gekoppelde gemeentes, zoals bij Gemeente Leerdam gebeurt (Verbeterdebuurt 2012b). Bij nieuwe ideeën moet de gebruiker eerst tien stemmen verzamelen via sociale media om überhaupt gehoord te worden (Verbeterdebuurt 2012c). Van Berlo verwoordt het probleem van deze geaccepteerde zelfdiscipline als: “[I]s dat een 2.0-alternatief voor de representatieve democratie of een opmaat voor kortetermijndenken en de terreur van de meerderheid? Democratie is er ook voor de rechten van de minderheid” (Van Berlo 2011). Net zoals in de offline democratie bestaat er online ook het gevaar dat alleen de meest dominante stem gehoord en gerepresenteerd wordt.
Terug naar het debat van de cyberutopians en de tech-pessimists, om de discussie van een abstracter macroniveau te belichten. Paul Levinson stelt dat iedereen via het gebruik van digitale communicatiemedia gehoord kan worden en dit de samenleving een stap dichterbij een directe democratie brengt.[1] Hij illustreert dit met de volgende woorden: “the age of mass media and representative democracy may well be in irreversible decline, replaced by the more equitable system of direct democracy in which the majority not only truly rules, but in which everyone’s views can get a public hearing, and everyone can vote at any and all times” (Levinson 2011). Doordat technisch gezien de vorm van een directe democratie binnen de mogelijkheden lijkt te komen heeft iedere stem de potentie gehoord te worden. Levinsons woorden zijn beladen met het technologisch imaginair zoals in hoofdstuk één beschreven is, waarbij hij van een vorm van ultieme participatie uitgaat. Hij stelt dat een directe democratie een betere democratie is en dicht hierbij digitale communicatiemedia een niet geringe rol toe. Naar mijn inzicht slaat Levinson door in deze stellingname. Een betere democratie is niet per se een directe democratie waarbij iedereen digitaal kan participeren. Ten tijde van het ontstaan van de oorspronkelijke Griekse democratie was deze ook niet direct en niet al helemaal niet toegankelijk voor iedereen (Williams 1976).
Evgeny Morozov is van mening dat het promoten van vrijheid en democratie via het internet een “naïef concept” is (Morozov 2011b). Hij ontkent niet dat deze nieuwe media geen invloed hebben, maar stelt dat juist dat de rol hiervan overschat wordt. Met name in landen waar er een autoritair regime heerst, waar burgers alleen de bevrijdende kracht van technologie zien en hun ogen sluiten voor politieke en economische macht in hun land. Juist hier wordt internet gebruikt om protest te verbannen, zoals recentelijk in Egypte gebeurde waardoor het regime internet werd afgesloten. In het hoofdstuk ‘You Can’t Be a “Little Bit Free” on the Internet’ laat Morozov in zijn laatste boek de paradox zien van Westerse overheden die vooral de vrijheid van het internet promoten, maar anderzijds niets melden over de controle die zij uitvoeren op het internet (Morozov 2011a). Hij suggereert dus dat de overheid een schijn van internetvrijheid laat zien. Deze suggestie is toepasselijk op de casus van Verbeterdebuurt.nl. In een video op het PICNIC Festival promoot minister Piet Hein Donner Verbeterdebuurt.nl en noemt het: “een slimme en innovatieve toepassing die bijdraagt bij aan burgerparticipatie” (Donner 2011). Donner schaart zich hier te makkelijk achter de lovende woorden van e-participatie en het technologisch imaginair naar mijn mening. Hij maakt het hiermee aannemelijk, met Foucaults woorden over disciplinerende machten in het achterhoofd, dat Verbeterdebuurt het antwoord van de burgers is op de massale invloedrijke corporaties en overheden die ons controleren. E-participatie geeft de burger een stem. Ik ontken hier niet dat e-participatie de burger geen stem geeft, integendeel, maar juist via het freemium-model duwt Donner ons weer in de fuik van het massale systeem. Een gebaar wat ik van hem als minister hierdoor als twijfelachtig beschouw.
De schijnmacht van de individuele gebruiker
In het vorige hoofdstuk heb ik aangetoond dat in een samenleving macht altijd onzichtbaar ‘aan het werk is’, terwijl gebruikers of burgers zich hieraan conformeren en macht hiermee accepteren werken zij tevens zelf deze macht in de hand. Door een kritische blik op burgerparticipatie en de context hiervan wordt duidelijk waar en bij wie de macht ligt. Wederom wordt in dit hoofdstuk de grens van de eigenlijke macht van burgerparticipatie opgezocht middels het begrip e-participatie en door het Marxisme geïnspireerde gedachten. Tot waar ligt de grens van gepercipieerde digitale vrijheid van gebruikers?
Tijdens de opkomst van het WWW in het jaar 1993 sprak Howard Rheingold al over de potentiële democratische functie van nieuwe communicatietechnologieën. Rheingold schreef dit voor de crash van de ‘dotcom-bubbel’ in het jaar 2000, waarbij hij destijds al veelvoudig het idee van de elektronische democratie bekritiseerd. Met de woorden “[w]hy should this new medium be any less corruptible than previous media?” relativeert hij naar mijn mening duidelijk de tijdelijkheid van een hype waar de komst van elk nieuw medium of technologie mee gepaard gaat (Rheingold 1993: 240).
In het tijdperk van het door Tim O’Reilly benoemde Web 2.0 heeft het WWW een enorme groei doorgemaakt. Nieuwe technologieën zorgen voor een sociaal internet met oneindige participatiemogelijkheden (O’Reilly 2005). Alles en iedereen staat continu met elkaar in verbinding, maar de vraag is of we voorbij de hype kunnen kijken. Hoe sociaal en democratisch is dit web en heeft de gebruiker inspraak zoals bij Verbeterdebuurt.nl gesuggereerd wordt? Met andere woorden, verbetert de buurt daadwerkelijk door zoveel mogelijk e-participanten die ideeën via de applicatie van het platform melden? Mediacriticus Trebor Scholz kijkt voorbij de rooskleurige wereld van O’Reilly en benadrukt de commerciële kant van het Web 2.0 waar interesses van marketeers en gebruikers op basis van uiteenlopende belangen gevoed worden (Scholz 2008).
Door de participatiecultuur als gevolg van het Web 2.0 verschuift de traditionele relatie tussen consument en producent stelt Mirko Tobias Schäfer in zijn boek Bastard Culture! (2011). Consumenten produceren en distribueren hun eigen media, bijvoorbeeld via YouTube. Dit wekt de indruk dat de consument aan zet is en met een scala aan e-participatiemogelijkheden zijn macht in eigen handen heeft. Producenten worden genoodzaakt hun businessmodel te herzien, waarbij de data gecreëerd door gebruikers (user generated content, UGC) een belangrijke rol spelen (Schäfer 2011: 125-7). Echter juist de rol van deze UGC wordt binnen het discours vaak kritisch benaderd (Andrejevic 2009, McChesney 2009, Schäfer 2011). Snijdt het mes aan twee kanten of worden de producenten alleen maar groter en zijn de consumenten ongemerkt online crowdsourced free labor die louter voor data zorgen?
In ‘Exploiting YouTube’ toont Mark Andrejevic hoe een platform als YouTube profiteert van de UGC door het verkopen van reclameruimte aan adverteerders. Het is geen geheim binnen de traditionele mediawereld dat meer dan driekwart van het totale marktaandeel wereldwijd door slechts zes grote mediagiganten vertegenwoordigd wordt (Kazemier 2010). Robert McChesney benoemt deze zes pioniers als het corporate media cartel (McChesney 1999). Het gevolg van deze concentratie is een buitenproportioneel machtsvertoon wat zich uit in kartelvorming. Dit sluit andere, vaak kleinere partijen, buiten en is daarmee per definitie geen bijdrage aan een democratisch beleid. De kans op het gebrek aan diversiteit in de nieuwe digitale mediawereld is groot volgens Jeffrey Chester, Executive Director van Centre for Digital Democracy als we niet tijdig ingrijpen (Chester 2007). Met name in de Verenigde Staten is de lijn tussen de overheid en mediagiganten niet eenduidig. Waar financiële belangen de boventoon voeren, kan het pluriforme publieke belang van de bevolking niet de prioriteit hebben. Volgens Chester lobbyt het machtige corporate media cartel binnen de politiek en zet hun belangen uit bij non-profit organisaties om zo beetje bij beetje de wet naar hun hand te zetten (Chester 2007). Hoewel het Amerikaanse systeem niet met het Nederlandse systeem vergeleken kan worden, kan hier toch een les uit getrokken worden. Overheid en bedrijven moeten naar mijn mening gescheiden functioneren. Volksvertegenwoordigers dienen hun functie in het kader van het publieke belang uit te oefenen en zouden zich niet in moeten laten met commerciële partijen. Het eerdergenoemde promotiefilmpje van Donner voor Verbeterdebuurt.nl passeert in mijn visie de scheidslijn tussen overheid en bedrijven.
Dat de commercie in het weefsel van mediaproducties zit blijkt uit de praktijk. Een complete media-economie gaat schuil achter deze industrie, ondanks de politieke regulering. In ‘The Culture Industry Reconsidered: 1975’ van Theodor Adorno wordt expliciet gemaakt hoe het economische winstoogmerk de drijvende kracht achter cultuur en maatschappij is. Adorno was een van de grondleggers van de Frankfurter Schule, een door het Marxisme geïnspireerde beweging die zich kritisch uitliet over massacultuur. Mediaproductie is volgens hem veranderd in een cultuurindustrie waar het alleen draait om winst. Net zoals Foucault spreekt Adorno over onderliggende machtstructeren waar de massa zich blind conformeert aan een onbekend ideaal (Adorno 1991: 85-6). Cultuurproductie krijgt hiermee een top-down benadering waar individuele artistieke vrijheid plaatsmaakt voor herhaling van handelswaar. Telkens in een nieuw jasje gestoken, waardoor het de schijn van iets nieuws heeft. De massa laat zich sturen door deze ideologie waar consumeren als normaal wordt beschouwd. Het gevaar van deze ideologie is dat de massa denkt een stem en keuzevrijheid te hebben, terwijl de keuze al voor hen bepaald is door de industrie. Door de schijn van nieuwe producties, die telkens in een andere vorm terugkomt, lijkt het alsof de consument macht heeft om te kiezen terwijl de kapitalistische kaders dit al ingeperkt hebben (Adorno 1991: 87-8).
Bij de productie van Verbeterdebuurt.nl wordt het concept burgerparticipatie in een nieuw jasje gestoken, zoals hiervoor bij Adorno benoemd is. Burgerparticipatie is een van de grondbeginselen van een democratie en kent hiermee bestaansrecht sinds de invoering van de eerste Griekse democratie. De komst van nieuwe digitale technieken maken de weg vrij voor e-participatie van burgers, via bijvoorbeeld smartphone of computer. Internetbedrijf CreativeCrowds heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt om dit te faciliteren middels het freemium-businessmodel. Door in de vorm van een stichting de burgerparticipant van een gratis platform gebruik te laten maken kan de data die dit oplevert als handelswaar verkocht worden via het bedrijf aan gemeentes. Terwijl burgerparticipatie niet nieuw is, is deze manier van commercialisatie van burgerdata wel nieuw. In het Financiële Dagblad bevestigt medeoprichter van Verbeterdebuurt Stijn van Balen: “[h]et is een nieuw economisch domein waarin nog van alles kan gebeuren” (Cohen 2011). Zoals bij het technologisch imaginair eerder omschreven is, gaan nieuwe technologieën gepaard met een utopische verbeelding, waar alles nog beter wordt dan voorheen. Door het gebrek aan transparantie is de burger in de waan dat deze manier van participatie ook daadwerkelijk beter is, evenals de naam van het platform ook suggereert: een verbetering van de buurt.
Net zoals in Adorno’s theorie wekt Verbeterdebuurt de indruk dat het bottum-up werkt, vanuit de massa naar bedrijven of overheid. Terwijl tevens met zijn theorie gesteld kan worden dat digitaal participeren via Verbeterdebuurt juist top-down werkt; net zoals in de cultuurindustrie wordt hier door enkele organisaties bepaald op welke manier de burger zijn stem mag laten horen. De gepercipieerde invloed van de gebruiker is daardoor beperkt. Deelnemende gemeentes geven bepaalde de affordances aan e-participatie.[2] Zij sturen de burger al in een bepaalde richting, zoals het gebruik van digitale media waardoor het handelingsvermogen van de burger beperkt wordt. De burger dient binnen de grenzen van Verbeterdebuurt zijn stem te laten horen. Het gevolg is dat hij deze voorwaarden accepteert als zijnde ‘normaal’ en door het gebrek aan transparantie zich onbewust conformeert aan een onbekend ideaal.
Conclusie: De participatie-ideologie van de e-democratie
In dit betoog heb ik aangetoond dat participatiemogelijkheden op het WWW niet altijd transparant voor gebruikers zijn. Het gevolg hiervan is dat gebruikers daardoor zich niet altijd bewust zijn van het feit dat hun gebruikersdata voor commerciële doeleinden kan dienen. In deze scriptie is het begrip e-participatie uitgelicht aan de hand van de case Verbeterdebuurt.nl. Burgers die gebruik maken van de toepassingen van het platform Verbeterdebuurt.nl zijn in de veronderstelling, mede door aanmoediging voor het gebruik door minister Donner, dat ze bijdragen aan een betere samenleving. Ze verbeteren hun buurt middels opvolging te geven aan hun participatierecht binnen het democratisch burgerschap. Wat zij niet direct zien is de freemium-constructie van CreativeCrowds BV, waarbij data van burgerparticipatie als primaire input voor een commercieel businessmodel geldt.
CreativeCrowds maakt op deze wijze gebruik van de positieve connotatie die gepaard gaat met de opkomst van online burgerparticipatie. De komst van nieuwe digitale mediatechnologieën is sterk beladen met het utopische idee van het technologisch imaginair; dat door online participatie een directe democratie verwezenlijkt kan worden. Zoals ik met Trebor Scholz in de inleiding van dit betoog argumenteer is het niet de commercialisatie van het web waar deze scriptie zich op focust, hier is immers niet aan te ontsnappen. Echter ligt de focus op het gebrek aan transparantie waarmee data als handelswaar gecreëerd wordt. Aan de hand van het werk van Theodor Adorno is gebleken dat online data van burgerparticipatie als onderdeel van de cultuurindustrie een commercieel doel dient. Middels Michel Foucault heb ik aangetoond dat gebruikers vaak onbekende privacy regels accepteren en zich hiermee schikken zonder tegengeluid in de macht van de commercie, zoals CreativeCrowds. Door alsmaar data te verstrekken worden commerciële partijen steeds groter en kunnen ze vergeleken worden met het moderne panopticon.
Op deze wijze werkt e-participatie niet per se democratiserend, maar juist ten behoeve van één partij. De gedachte van Paul Levinson dat meer e-burgerparticipatie leidt tot een directe democratie en dit een betere uitgangspositie is heb ik tegengesproken. Voordat het idee ‘hoe meer stemmen, hoe meer draagvlak voor een representatieve democratie’ ingevoerd kan worden moeten er verstrekkende maatregelen genomen worden in de basisprincipes van de huidige uitoefening van de democratie. In dit betoog heb ik de sceptische positie ingenomen waarbij ik aansluiting vind bij tech-pessimist Evgeny Morozov. Hiermee sluit ik niet uit dat er geen mogelijkheden zijn dat nieuwe mediatechnologieën een bijdrage kunnen leveren aan een democratisch beleid. Echter, een e-democratie is gezien deze context een utopische aanname. De democratiserende kracht van e-participatie kan middels Morozovs werk genuanceerd worden en geeft een verfijnder inzicht in de heersende participatie-ideologie.
Bibliografie
Adorno, Th.W. 1991. The culture industry: Selected essays on mass culture. Londen en New York: Routledge.
Anderson, C. 2008. Free! Why $0.00 Is the Future of Business. Wired. [Geraadpleegd op: 16 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.wired.com/techbiz/it/magazine/16-03/ff_free?currentPage=all.
Andrejevic, M. 2009. Exploiting YouTube. Contradictions of user-generated content in The Youtube reader. Red. P. Snickars & P. Vonderau. Stockholm: National Library of Sweden. 406-423.
Berlo, D. van. 2011. Internet kan onze democratie verdiepen en versterken. Volkskrant.
[Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.volkskrant.nl/vk/nl/6164/Overheid-2-0/article/detail/3057263/2011/11/30/Internet-kan-onze-democratie-verdiepen-en-versterken.dhtml.
boyd, d. en Hargittai, E. 2010. Facebook privacy settings: Who cares? First Monday. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/issue/view/317.
Castells, M. 2002. The Internet Galaxy. Oxford: University Press.
Chester, J. 2007. Digital Destiny: New Media and the Future of Democracy. New York: The New Press.
Cohen, R. 2011. Schatkamer aan overheidsdata opengesteld. Financiële Dagblad. [Geraadpleegd op: 14 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/2011/11/10/open-data-in-de-buurt/.
De Souza e Silva, A. 2006. From Cyber to Hybrid: Mobile Technologies as Interfaces of Hybrid Spaces. Space and culture 9 (3) 261-278.
Dijk, J. van. 2006. The Network Society. Social Aspects of New Media. Londen: Sage Publications Ltd.
Donner, P.H. 2011. Minister Donner noemt Verbeterdebuurt een voorbeeld. PICNIC Festival. [Geraadpleegd op: 15 januari 2012]. Beschikbaar via: http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/2011/09/16/minister-donner-noemt-verbeterdebuurt-een-voorbeeld/.
Foucault, M. 1977. Discipline and Punish: The Birth of the Prison. New York: Vintage. [Origineel 1975]
Foucault, M. 1982. The Subject and Power. Critical Inquiry, Vol. 8 No. 4. Chicago: University Press. 777-795.
Gergen, K.J. 2008. Mobile Communication and the Transformation of the Democratic Process in Handbook of Mobile Communication Studies. Londen: MIT Press. 297-310.
Kazemier, B.J. 2010. The Masters Of The Media. This is Propaganda. [Geraadpleegd op: 5 januari 2012]. Beschikbaar via: http://www.youtube.com/watch?v=6m-g3UmkmHs.
Lens, C. 2012. Verbeterdebuurt / Creative Crowds. E-mail van Anne Last naar Carl Lens. 19 januari 2012.
Levinson, P. 2011. Occupy Wall Street, Direct Democracy, Social Media: A Thumbnail History of Media and Politics Since Ancient Athens. Paul Levinson’s Infinite Regress. [Geraadpleegd op: 21 december 2011]. Beschikbaar via http://paullevinson.blogspot.com/2011/10/occupy-wall-street-direct-democracy.html.
Lister, M. et al. 2009. New Media: A Critical Introduction. Londen: Routledge.
McChesney, R. 1999. Rich media, poor democracy: Communication politics in dubious times. Urbana: University of Illinois Press.
Morozov, E. 2011a. The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. New York: Public Affairs.
Mozorov, E. 2011b. What role does technology really play in pro-democracy revolutions? Stream. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://stream.aljazeera.com/story/cyber-realism-versus-cyber-utopians.
Norman, D. A. 2002. The design of Everyday Things. New York: Basic Books.
O’Reilly, T. 2005. What Is Web 2.0: Design patterns and business models for the next generation of software. O’Reilly Media, Inc. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://oreilly.com/web2/archive/what-is-web-20.html.
Rheingold, H. 1993. The Virtual Community. Homesteading on the Electronic Frontier. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley.
Robins, K. 1996. Into the Image: Culture and Politics in the Field Of Vision. Londen en New York: Routledge.
Schäfer, M.T. 2011. Bastard Culture! Amsterdam: Amsterdam University Press.
Scholz, T. 2008. Market Ideology and the Myths of Web 2.0
in First Monday. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/2138/1945.
Snooks, G.D. 2000. Was the Industrial Revolution Necessary? Londen en New York: Routledge.
Verbeterdebuurt.nl, 2012a. Meer dan 300 gemeentes nemen deel aan het Verbterdebuurt.nl platform. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/uitleg/hoe/.
Verbeterdebuurt.nl, 2012b. Leerdam is gekoppeld. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/plus/voorbeelden/leerdam/.
Verbeterdebuurt.nl, 2012c. Uitleg meldingen. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/uitleg/faq/.
Vries, I. de. 2009. The vanishing points of mobile communication in digital material tracing new media in Everyday Life and Technology. Amsterdam: Amsterdam University Press. 81-94.
Williams, R. (1976). Keywords: A Vocabulary of Culture and Society. Londen: Fontana Press.
[1] We leven in Nederland in een representatieve democratie (ook wel indirecte democratie genoemd), waar een door het volk verkozen parlement de stem van de burger vertegenwoordigd wordt. Een directe democratie zou inhouden burgers
direct inspraak hebben, waarbij er geen vertegenwoordiging van een parlement is (Rijksoverheid 2011).
[2] Een affordance is een term uit de design industrie en omschrijft tot welke acties of eigenschappen een apparaat of ding ons uitnodigt (Norman 2002).