Filmbeleving in de Bioscoop door Jorine Witte

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag wordt de reeks gesloten door Jorine Witte, winnares van de Juryprijs, We Play Culture 2012. Filmbeleving in de Bioscoop In hoeverre is de filmbeleving Read more

Down the Rabbit Hole. Alice in Media Wonderland door Elize de Mul

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Elize de Mul, winnares van de Publieksprijs, We Play Culture 2012. Down the Rabbithole. Alice in Mediawonderland Elize de Mul Opgroeiend in een Read more

Waarom zou je meedoen? Door Anne Last

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Anne Last. Waarom zou je meedoen? Een kritisch betoog over de participatie-ideologie van de e-democratie door Anne Last Inleiding: De paradox van Read more

Mobile Augmented Reality door Marieke Pots

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij elke dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Marieke Pots. Mobile Augmented Reality en de Staat van Absent Presence Een explorerend onderzoek naar de houdbaarheid van de theorie over absent Read more

Threat #1: The Conservative Idea of America door Pauline Le

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Pauline Le. Threat #1: The Conservative Idea of America. Satire aan het werk in 'The ThreatDown' van The Colbert Report. Read more

Sociaal Kapitaal door Michelle Oosthuyzen

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Michelle Oosthuyzen. Sociaal kapitaal: de ideologische discussie voorbij Een analyse van het discours omtrent de sociale en maatschappelijke effecten van nieuwe mediatechnologieën Read more

SCRIPTIEPITCH: 13 maart @ De Balie

We Play Culture presenteert, i.s.m. Studievereniging AKT (Theater- Film- en Televisiewetenschap, UU) en Off-Screen (Media en Cultuur, UvA): ScriptiePitch In een avondvullend programma krijgen 6 mediastudenten van verschillende universiteiten de kans hun Bachelorscripties te pitchen voor een deskundige jury, en Read more

OPENING: Maurice Seleky

Naast een ideale locatie om te netwerken, je studieloopbaan te plannen, interessante lezingen te volgen en met interactief vermaak bezig te zijn is We Play Culture ook een podium voor veelbelovende talenten. Zo wordt de dag geopend door Maurice Read more

Life Needs Internet?!

De democratisering van de media; een vervlogen gelijkheidsideaal uit het – eveneens vervlogen – Cyberspace tijdperk. Tegenwoordig spreken we van “digital divide” en niet voor niets, zo toont Life Needs Internet, de installatie van Jeroen van Loon. De centrale Read more

Interactief Vermaak: de PanoptICONS

De brandstapel en de guillotine vinden als eliminator van het kwaad een subtiele opvolger in de hedendaagse beveiligingscamera. Onraad is overal, zo luidt het credo ter rechtvaardiging van cameratoezicht. Volgens Thomas en Bas, de leden van kunstenaarsduo Front404 en Read more

SCRIPTIEPITCH: 13 maart @ De Balie

We Play Culture presenteert, i.s.m. Studievereniging AKT (Theater- Film- en Televisiewetenschap, UU) en Off-Screen (Media en Cultuur, UvA): ScriptiePitch

In een avondvullend programma krijgen 6 mediastudenten van verschillende universiteiten de kans hun Bachelorscripties te pitchen voor een deskundige jury, en voor jullie! Doe ideeën op voor je eigen scriptie, netwerk met medestudenten uit andere steden en borrel gezellig met ons door na afloop.

Op 13 Maart om 19:30u openen wij de deuren van de Balie voor mediastudenten uit het hele land. Om 20:00u zal het programma ingeleid worden door Marc Josten (eindredacteur bij Argos-TV, schrijver en hoofdredacteur bij Het Filosofisch Kwintet). Hierna is het tijd voor de pitches. De 6 studenten presenteren hun scripties in Pecha-Kucha vorm waarna deze door een deskundige jury zullen worden beoordeeld. Daarnaast mag het publiek zijn oordeel geven.

De volgende vier pitchers zijn al bekend:
- Charlotte Dwyer
Hoe zie jij de toekomst eigenlijk? De representatie van de Nederlandse culturele identiteit in de cinema.
- Ryanne Turenhout
Wikileaks en het naïeve idee over wat het toegankelijk maken van informatie teweeg zal brengen.
- Sandra Bouten
De invloed van diëgetische geluiden in games en de bijdrage daarvan aan immersie.
- Linda Roos
Twee-eenheid: Documentaires en opdrachtfilms van Musch en Tinbergen.

Na afloop van de ScriptiePitch is er gelegenheid om onder muzikale begeleiding van DJ Mikko nog een drankje te drinken en te netwerken met je medestudenten; voor alle aanwezigen dus een buitenkans om je naast je studie te verdiepen in de studiemogelijkheden bij andere universiteiten en het studentenleven in andere steden.

Kortom:
SCRIPTIEPITCH (www.debalie.nl/artikel.jsp?articleid=473246)
Datum: 13 Maart 2013, 19:30 – 01:00
Locatie: De Balie Amsterdam
Prijs: Gratis!
Plaatsen reserveren: http://debalie2012.activetickets.com/ProgrammaDetail.aspx?id=10721010

Posted on by admin in Nieuws Leave a comment

Filmbeleving in de Bioscoop door Jorine Witte

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag wordt de reeks gesloten door Jorine Witte, winnares van de Juryprijs, We Play Culture 2012.

Filmbeleving in de Bioscoop

In hoeverre is de filmbeleving in de bioscoop uniek binnen het hedendaagse landschap van filmconsumptie?

Door Jorine Witte

Inleiding
De bioscoop anno 2013 is allang niet meer de voornaamste plek waar men films kijkt. Er zijn nog nooit zoveel mogelijkheden geweest om film te consumeren als nu. Hoe kan het eigenlijk dat de bioscoop nog steeds bestaat? En wat maakt dat het aantal bioscoopbezoekers in Nederland in een stijgende lijn zit in plaats van een dalende?[1] In hoeverre is dit te wijten aan technische hoogstandjes (3D, High Frame Rate, surround geluid) of aan het feit dat de nieuwste films nog steeds als eerste te zien zijn in de bioscoop en pas daarna op DVD verschijnen? Verondersteld kan worden dat de filmbeleving in de bioscoop zich onderscheidt ten opzichte van talloze andere filmbelevingen. Want hoewel een film van scherm tot scherm exact hetzelfde blijft, zoals bij klonen, kan een film op een laptop in de trein heel anders overkomen dan dezelfde film thuis op de bank. In dit artikel wordt onderzocht wat het exceptionele is van de filmbeleving in de bioscoop in relatie tot de filmbeleving in andere settings.

Naar mijn mening wordt er binnen de filmtheorie te veel met een nostalgische ‘vroeger was alles beter’-blik gekeken naar de recente ontwikkelingen in de filmindustrie. Bijvoorbeeld in het boek Screen Dynamics - Mapping the Borders of Cinema uit 2012[2], waarin de bioscoop wordt benaderd als de enige echte, ultieme, en bovenal de beste plek voor filmvertoning. Raymond Bellour begint zijn artikel “The Cinema Spectator: A Special Memory” met de volgende hypothese:

 ”The lived, more or less collective experience of a film projected in a cinema, in the dark, according to an unalterably precise screening procedure, remains the condition for a special memory experience, one from which every other viewing situation more or less departs.”[3]

Het is een gegeven dat een film tegenwoordig op veel manieren bekeken kan worden en het is een logische gedachten dat filmvertoningen in meerdere of mindere mate op elkaar lijken. De hedendaagse filmconsumptiemogelijkheden zijn in mijn ogen echter geen vormen van displaced places of film en ik zie film op televisie niet als schaduw of echo van ‘het echte werk’ zoals Bellour verderop in het artikel schrijft.[4] Een film is door alle mogelijkheden waarop deze bekeken kan worden juist levendiger dan ooit en daarom is het van groot belang te onderzoeken wat de filmbeleving is en welke factoren hierop van invloed zijn. Dit artikel doet daartoe een poging en geeft inzicht in de positionering van filmvertoners binnen het huidige medialandschap.

Het filmbelevingsmodel
De reikwijdte van het begrip ‘filmbeleving’ is groot. Om structuur te brengen in het web van de vele theorieën waar het aan raakt, heb ik vergelijkingen gemaakt op basis van de drie basiselementen waar elke cinemasetting uit bestaat: de film, het medium en het publiek.  De term ‘cinemasetting’ is afgeleid van ‘dispositif’;  een term geïntroduceerd in de jaren ’70 door Jean-Louis Baudry. Vinzenz Hediger beschrijft in het eerder genoemde Screen Dynamics de dispositif als volgt:

 ”The definition of cinema is really a delimitation of cinema: A definition of cinema in terms of the space where the screening and the experience of the film take place.”[5]

In het boek Cinema of Attraction Reloaded staat de term ‘dispositif’ synoniem voor de inrichting van de vertoningsituatie[6] en in Cinema Beyond Film – Media Epistemology in the Modern Era, wordt het als volgt omschreven: “It includes everything that is laid out in front of the spectator, together with all the elements that allow the representation to be viewed and heard.”[7] Volgens dit boek beslaat de dispositif het hele gebied van relaties tussen the spectator, the machinery en the representation.[8] Door deze termen te specificeren en te herformuleren kom ik tot het volgende: De cinemasetting is de samenhang tussen de film, het medium en de toeschouwer(s). Aan de hand van deze basiselementen heb ik de filmervaring onderverdeeld in drie deelgebieden: de kijkervaring, de mediumervaring en de gedeelde ervaring. Deze benadering wordt geïllustreerd door het filmbelevingsmodel waarmee verschillende cinemasettings met elkaar kunnen worden vergeleken. In de volgende paragrafen zullen de filmbelevingsfactoren per deelgebied worden ingezet in de vergelijking hoe een film wordt beleefd, om zo te achterhalen in hoeverre de filmbeleving in de bioscoop bijzonder is en welke factoren dit bepalen. Uiteraard zijn de kijk-, medium en gedeelde ervaring geen strikt afgebakende categorieën, maar velden die in elkaar overlopen. Het filmbelevingsmodel is geen statisch overzicht, maar een vertrekpunt voor discussie en een handvat voor de structurering van dit dynamische en uitgestrekte onderzoeksonderwerp.

Filmbelevingsmodel

De kijkervaring in de bioscoop
De kijkervaring van een film wordt bepaald door de relatie tussen de film en de toeschouwer. Theorieën van Christian Metz[9] en Laura Mulvey[10] hebben een grote bijdrage geleverd aan dit deelgebied van de filmervaring, waarin de werking van een film op het publiek en het kijkplezier centraal staan. Metz maakt een vergelijking tussen film, droom en dagdroom en onderzoekt wat er gebeurt wanneer je als kijker helemaal opgaat in een film. Dit noemt hij de filmic state; de droomachtige en slaperige verwarring waarin realiteit en fictie zich mengen. Het filmverhaal wordt daadwerkelijk met eigen ogen gezien en het wordt voor waar aangenomen, terwijl alles wel degelijk fictief is.[11] De filmic state is volgens Metz een vorm van isolatie, eenzaamheid en afzonderlijke obsessie, waarbij hij de toeschouwer omschrijft als een passieve voyeur. Passiviteit is volgens Metz iets dat onlosmakelijk verbonden is met de filmic state. Een film genereert een bepaalde concentratie, waardoor hij of zij geïsoleerd raakt en alles om zich heen vergeet. Maar waarom gaan mensen dan gezellig samen een film kijken? Dit wordt uitgediept in de paragraaf over de gedeelde ervaring. Voor Metz was het destijds, in de jaren ’70, vanzelfsprekend dat film bekeken werd in de bioscoop. Maar hoe zit het met de filmic state op het moment dat de inrichting van de cinemasetting bestaat uit een rijdende treincoupé op klaarlichte dag? De inrichting van de bioscoopzaal zorgt voor zo min mogelijk afleiding; er zijn geen ramen, het licht gaat uit, de deuren zijn onopvallend, enz. Bovendien gelden in de bioscoopzaal andere gedragsregels en conventies dan in andere cinemasettings zoals een huiskamer. Het ondernemen van actie in de bioscoopzaal (bijv. opstaan en de zaal verlaten, smsen, kletsen) stoort immers het medepubliek.[12]

Vanaf de jaren ’70 heeft Laura Mulvey onderzoek gedaan naar het kijkplezier van film. In Death: 24x a second. Stillness and the Moving Image, onderzoekt Mulvey welk effect de digitalisering heeft op de storyflow en het kijkplezier. Een belangrijk gegeven is dat de relatie tussen film en de toeschouwer(s) in het hedendaagse digitale tijdperk aanzienlijk is veranderd vergeleken met de tijd dat een film nog synoniem stond voor celluloid. Met de komst van televisie, VHS, DVD, YouTube, enz. beschikt de kijker over een keuzemenu bestaande uit pauze-/play-/volumeknop, fullscreenmodus, afspeelkwaliteit/-snelheid, enz. De meeslependheid van film komt volgens Mulvey voort uit de illusie van beweging. Zij stelt dat naarmate de toeschouwer controle heeft over de storyflow en een film gepauzeerd wordt, de illusie van beweging doorbroken wordt en de meeslependheid en halfslaap plaats maken voor oplettendheid. De simpele constatering dat de bioscoop tegenwoordig de enige cinemasetting is waarin de toeschouwer geen keuzemenu tot zijn beschikking heeft, maakt een verschil met alle nieuwe media die in dienst staan van controle over de film en het bijbehorende gebruiksgemak; allerlei mogelijkheden die in de bioscoop niet voorhanden zijn.

Deze constatering betekent dat de kijkervaring en de droomachtige halfslaap en het absorberende effect van de filmic state in de bioscoop het sterkst is. Dit maakt dat film in deze cinemasetting de meest meeslepende kijkervaring levert in vergelijking met dezelfde film in een andere setting. De inrichting en de conventies van een bioscoop zorgen ervoor dat de toeschouwers een passieve houding aannemen en in zekere zin ondergeschikt worden aan wat ze te zien krijgen.

De mediumervaring in de bioscoop
De mediumervaring wordt bepaald door de relatie tussen het medium en de film en wat het publiek hiervan merkt. Er is onderscheid te maken tussen media die ingezet worden in het productieproces (het gebruik van lenzen, camera’s en opnametechnieken) en media die ingezet worden in het distributie- en vertoningsproces (de drager waar de film op staat, de projectietechniek). De media uit het productieproces die uiteindelijk in de vertoonde film te herkennen zijn, noem ik het filmintrinsieke van de mediumervaring. De media uit het distributieproces beslaan de media-intrinsieke aspecten van de mediumervaring.

Zoals gezegd is de bioscoop vandaag de dag nog steeds bijzonder omdat, in tegenstelling tot alle andere cinemasettings, de media-intrinsieke aspecten van de mediumervaring zo transparant en onopvallend mogelijk gehouden worden. Tegelijkertijd is de bioscoop technisch superieur als het gaat om beeld- en geluidskwaliteit. Deze ogenschijnlijke contradictie – wat heeft men aan superieure techniek wanneer men er niks van merkt? – maakt dat de film-intrinsieke aspecten van de mediumervaring in de bioscoop beter te zien zijn.[13]

Een belangrijk punt is de invloed van nieuwe media op de mediumervaring. Een nieuwe film wordt tegenwoordig nog steeds als eerste uitgebracht in de bioscoop en pas daarna op DVD en televisie. De bioscoop staat dus, afgezien van eventuele illegale downloads, vooraan in de levenscyclus van een film. Daarbij geldt dat vernieuwing voor zowel filmmakers als filmvertoners voor een groot deel ligt in de inzet van nieuwe technieken. Denk aan James Bond in IMAX,  het 3D-effect van Avatar en de High Frame Rate van The Hobbit. De bioscoop is de eerste en vaak de enige plek waar het publiek in aanraking komt met deze filmtechnieken. Een aantal auteurs stelt dat bestaande (perceptueel-cognitieve) routines niet kunnen worden toegepast bij het zien van dergelijke nieuwe media, omdat er nog geen voor de hand liggende benaderingswijzen voor bestaan of zijn ontwikkeld. Een dergelijke ervaring kan een sterk gevoel van verwondering en ongeloof veroorzaken.[14]

Wat hiermee samenhangt is de omvang van het filmscherm. In “The Close-Up: Scale and Detail in the Cinema” [15] spreekt Mary Ann Doane van een schermcultuur in plaats van een beeldcultuur. Hoe groter het filmdoek, hoe indrukwekkender de film overkomt. De afmetingen van het scherm bepalen volgens Doane de cinematic scale en de verhoudingen tussen de toeschouwer en dat wat hij of zij ziet. Het grote bioscoopscherm genereert een larger than life effect; de afmetingen van datgene wat vertoond wordt op het scherm, zijn gigantisch in verhouding tot de toeschouwers in de zaal. Dit heeft een ander effect dan kleinere schermen van smartphones, tablets of laptops. Deze zijn namelijk handzaam en maken film tot persoonlijk bezit en onderdeel van het privé domein. Door de toename van zowel de afmetingen als het aantal schermen, spreekt Doane van een contemporary schizophrenia of scale. De bioscoopsetting bevindt zich aan het uiteinde van het spectrum: de bioscoop biedt ruimte aan een publieke en massale beleving van film terwijl de smartphone het andere uiterste illustreert; de individuele ervaring van privé bezit.

De gedeelde ervaring in de bioscoop
De gedeelde ervaring wordt bepaald door de relatie tussen de toeschouwers onderling in relatie tot het medium en de film. Het gaat om de sociale dimensie van de filmbeleving, de gedeelde ervaring van bioscoopbezoek en de collectieve dimensie van the filmic state.[16] De mate waarin het medepubliek wordt opgemerkt en hoe dit gewaardeerd wordt is daarbij van groot belang. Bepalende elementen zijn; de hoeveelheid publiek in verhouding tot de omvang van de cinemasetting. De samenstelling van het publiek: kijk je alleen, of zijn er vrienden of onbekenden bij? Daarbij is de hoeveelheid interactie van belang en het soort interactie. In het interactiemodel is een indeling voor soorten interactie gemaakt die kunnen bestaan in het publiek. Interactie tussen de toeschouwer zelf en anderen wordt actieve interactie genoemd. Interactie tussen anderen in het publiek zonder dat de toeschouwer hieraan meedoet wordt passieve interactie genoemd.

Interactiemodel: Schematische weergave van soorten actieve interactie

 Interactiemodel

Linda Singer is één van de weinige academici die het filmpubliek tijdens het kijken van film centraal stelt.[17] Door vast te stellen dat men film beleeft in de aanwezigheid van en met anderen, raakt zij een essentieel punt. Singer beschrijft de ruimte van filmconsumptie als social space, waarin een contagion effect binnen een publiek bestaat. Het contagion effect verwijst naar de manier waarop een virus zich verspreid. Het is een vorm van besmetting of aanstekelijkheid tussen het lijfelijk aanwezige publiek.[18] Visueel verlangen en kijkplezier is volgens Singer geen afzonderlijke obsessie, maar juist een gezamenlijke activiteit waarbij men aansluiting en bevestiging vindt bij anderen. Aan de hand van een studie van Francesco Casetti[19] kan hierop een aanvulling worden gemaakt. Hij stelt dat de gedeelde filmervaring wordt bepaald door de kenmerken van een ritueel. Het publiek komt fysiek en mentaal samen en beleeft volgens gedeelde conventies iets unieks. De gedeelde ervaring ontstaat volgens Casetti uit gelijkgestemd gedrag, overeenkomstige kennis en gedeeld geloof. Hieruit ontstaat een bijzonder aspect van de filmbeleving in de bioscoop: de collectieve interactie. Dit ontstaat wanneer een individuele reactie wordt opgenomen in de collectieve reactie van het publiek en de individuele reactie wordt uitvergroot door de massa. De individuele reactie wordt teruggekaatst door de massa als een soort echo. Zowel Singer als Casetti hebben het over lijfelijk aanwezig medepubliek en niet over het delen van ervaring via social media. De gedeelde ervaring in de bioscoop is tijd en plaats gebonden; aspecten die voor het delen van ervaringen op Facebook, Twitter en WhatsApp juist irrelevant zijn.

Singer en Casetti gaan echter voorbij aan aspecten van de gedeelde ervaring die juist storend kunnen zijn.[20] Wat gebeurt er wanneer conventies niet worden nageleefd? De kans is groot dat een toeschouwer zich zal storen aan krakende etenswaren of aan buren die praten. Deze passieve niet-filmgerelateerde interactie heeft vermoedelijk een negatief effect op de filmbeleving en dit is minstens zo belangrijk als de positieve aspecten van de gedeelde ervaring. Het vergt sociale aanpassing van de toeschouwer om tegemoet te komen aan de conventies van een cinemasetting.

Per cinemasetting zullen de conventies, de inrichting, de interactievormen en de samenstelling van het publiek verschillen. Het unieke van de bioscoop schuilt in grote capaciteit, de variabiliteit in bezettingsgraad en in het feit dat de samenstelling van het publiek divers is. In tegenstelling tot alle andere media bekijkt men in de bioscoop de film samen met een massa publiek, waarbij reacties van individuele bioscoopbezoekers kunnen samenkomen in een collectieve interactie. Hierdoor kan een saamhorigheidsgevoel tussen onbekenden ontstaan zoals dat in geen andere cinemasetting bestaat. De gedeelde ervaring is het belangrijkste punt waarop de bioscoop zich onderscheidt ten opzichte van andere cinemasettings.

Conclusie
Samenvattend kan worden vastgesteld dat de bioscoopzaal een soort vacuüm is. Het is een openbare ruimte waarin zo min mogelijk connectie bestaat met de buitenwereld. Door het gebrek aan keuzemenu’s en de passieve houding van de toeschouwers lijkt de bioscoop een tegenhanger van alle multimedia- en crossmedia-ontwikkelingen. Vanwege de technische superioriteit, de transparante mediumervaring, de inrichting en de conventies is de bioscoop geen ruimte voor multitasken en heeft de toeschouwer alle aandacht voor de film. Aan de ene kant kan de toeschouwer in de bioscoop gezien worden als een passieve voyeur met visueel verlangen als afzonderlijke obsessie. Aan de andere kant is de toeschouwer actief lid van een publiek waarbij de filmbeleving wordt gedeeld met een groot, onbekend en lijfelijk aanwezig publiek. De vormen van interactie en het saamhorigheidsgevoel die hieruit kan ontstaan, maakt de filmbeleving in de bioscoop uniek. De unieke kwaliteiten zouden per filmvertoner onderzocht, verbeterd en geëtaleerd kunnen worden, zodat ook de toekomstige generatie filmliefhebbers de filmbeleving in de bioscoop blijft meemaken. Tot slot enkele tips om de pijlers waar de filmbeleving in de bioscoop op steunt te optimaliseren.

De bezoeker gaat helemaal op in de film en wordt niet afgeleid
Concentratie is van groot belang voor het opgaan in een film. Uiteraard ligt de mate van meeslependheid grotendeels aan de film zelf en wat de toeschouwer ervan vindt, maar tegelijkertijd kan de bioscoop dit beïnvloeden door bijvoorbeeld de storende factoren zo beperkt mogelijk te houden. Dit kan door onderzoek te doen naar wat de invloed is van een pauze op het wegdroomeffect of na te gaan wat de beste inrichting is van de bioscoopzaal ter bevordering van de filmic state. Een groot aantal mogelijk storende factoren komt vanuit het publiek zelf. Daarom is het van belang dat de bioscoop oog heeft voor de heersende conventies en de mate waarin ze worden nageleefd. Hoe zit het bijvoorbeeld met geluidsoverlast van knisperende popcorn en/of rinkelend glaswerk? Wat is het laatkomersbeleid? De bioscoop bevordert de filmbeleving door het publiek te wijzen op de heersende gedragregels, zoals het uitzetten van telefoons.[21] Pathé Haarlem wijst haar publiek op deze conventies en heeft als bijkomend voordeel dat de filmzalen zich onder de grond bevinden, waardoor telefoons geen bereik hebben. Een nadeel hiervan kan zijn dat het meldpunt voor overlast, wederom een uitvinding van bioscoopketen Pathé, misschien minder goed te bereiken is.[22] Er bestaan een aantal initiatieven die spelen met de conventies, zoals met je hond naar de bioscoop op dierendag, een première met een verkleedwedstrijd in het thema van de film of ‘Cinemum’: met je baby naar de bioscoop.

De bezoeker is onder de indruk van de technische aspecten van de vertoning
De filmbeleving in de bioscoop onderscheidt zich door de technische hoogwaardigheid. Het grote scherm, de superieure beeld- en geluidkwaliteit, het 3D-effect, enzovoorts zijn unieke aspecten die benadrukt moeten worden, bijvoorbeeld door informatie over investeringen en vernieuwingen te etaleren. Een voorbeeld hiervan is het filmprogramma ‘Scherp Scherper Scherpst? Van celluloid naar 4K’ van Filmhuis Den Haag, waarin oude films met behulp van de nieuwste projectietechniek worden vertoond.[23] De trailer voor het festival is op zichzelf al een nuttige uitleg over de technische kwaliteit van de nieuwste investering die het filmhuis deed.

Ten behoeve van de positie van de bioscoop in het landschap van filmconsumptie, moet het een vanzelfsprekendheid zijn dat de bioscoop ten opzichte van andere cinemasettings de meest overweldigende mediumervaring levert en het toonbeeld is van de nieuwste technieken. Dit is één van de belangrijkste wapens in de strijd tegen illegaal downloaden. Het in rekening brengen van extra toeslagen voor 3D of IMAX is in mijn ogen niet handig voor het verstevigen van het imago van de bioscoop als koploper in technische kwaliteit. Of er daadwerkelijke extra kosten worden doorberekend aan de klant of wanneer de nieuwe technieken worden aangegrepen voor winstbejag op de korte termijn, maakt niet uit; het geeft hoe dan ook het verkeerde signaal aan mij als klant. Daarnaast is het van minstens zo groot belang dat de bioscoop de plek blijft waar de nieuwste films worden vertoond. De bioscoop dient haar positie ten opzichte van filmreleases op bijvoorbeeld TV, DVD, VOD, te behouden, te versterken en uit te breiden. Met de nieuwste films en de nieuwste technieken heeft de bioscoop een gouden combinatie.

De bezoeker maakt deel uit van collectieve interactie en een spontaan saamhorigheidsgevoel
Er zijn velen die belang hebben bij volle zalen, maar los van het efficiënt benutten van het bioscoopgebouw en de economische aspecten ervan, heeft een volle zaal een gunstiger effect op de filmbeleving dan een lege zaal. De ideale situatie voor een gedeelde ervaring bestaat er uit dat men zich thuis voelt binnen een groot en divers publiek van onbekenden waarin veel interactie is. In dit geval is een volle zaal meer waard dan het totaal van de recette. Het zou interessant kunnen zijn om te onderzoeken wat de optimale bezettingsgraad is van een bioscoopzaal. Een volle zaal zorgt immers ook voor een grotere kans op overlast. Iets wat de gedeelde ervaring zou kunnen bevorderen is wanneer de bezoeker bewust wordt gemaakt van het feit dat hij of zij een bijzondere film en beleving tegemoet gaat en onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een welkomstwoord of door middel van een introfilmpje van de regisseur of de hoofdrolspeler. Zeker voor de reguliere vertoningen in de bioscoop is dit allicht een manier om een graantje mee te pikken van de kracht van filmvertoning op festivals, die van nature een exceptionele lading lijken te hebben. Het is het onderzoeken waard in hoeverre de Q&A’s op festivals bijdragen aan de filmbeleving en hoe dit doorgezet kan worden binnen de gehele vertoningsindustrie.

Een ander aspect dat kan bijdragen aan de gedeelde ervaring, is het inlassen van een pauze in combinatie met een gezellige café-sfeer. Dit nodigt uit tot voor- en nabespreken van de filmbeleving waardoor de gedeelde ervaring wordt verlengd. Dit creëert sociaal kapitaal en heeft een positief of versterkend effect op de totaal beleving.[24] Uiteraard heeft dit ook een nadelig effect op het wegdroomeffect. De gedeelde ervaring en de kijkervaring lijken in die zin haaks op elkaar te staan.

Tot slot
De brancheverenigingen voor filmvertoners zouden kunnen bijdragen aan het bevorderen van de pijlers waar de filmbeleving in de bioscoop op is gestoeld. Wat betreft het etaleren van de genoemde aspecten zouden deze partijen een duit in het PR-zakje kunnen doen. Pas wanneer je weet waar je eigen kracht ligt, kan je een oprechte strijd voeren tegen bijvoorbeeld het illegaal downloaden. In welke opzichten wordt de beleving in de bioscoop vernieuwt door het vertonen van concerten, opera’s, televisieseries en voetbalwedstrijden? En wat is het effect van een Second Screen App in de bioscoop?[25] Weegt het vernieuwen van conventies zwaarder dan het bewaken van het wegdroomeffect? Dit artikel geeft geen hapklare antwoorden, maar fungeert als hulpmiddel in de keuzes waar de bioscoop voor staat. De filmbeleving in de bioscoop is en blijft een rekbaar begrip, waar, net als bij een goede film, eindeloos over gediscussieerd dient te worden.

Bibliografie

Albera, Francois,  en Maria Tortajada, samenst., Cinema Beyond Film. Media Epistemology in the Modern Era. Amsterdam University Press, 2010

Bolter, Jay David en Richard Grusin. Remediation. Understanding New Media. The MIT Press, 2000

“Bioscoop bezoek stabiel in 2012” 10-1-2013 http://www.nvbinfocentrum.nl/

Casetti, Fancesco. “The Filmic Experience” Yale, 2007. http://www.franscescocasetti.net

Doane, Mary Ann. “The Close-Up: Scale and Detail in the Cinema” In: Differences; vol. 14 (2003)

“Gebruik second screen bij bioscoopfilm app” 8-3-2013 http://www.marketingonline.nl/nieuws/bericht/gebruik-gsm-in-bioscoop-bij-nieuwe-nederlandse-film-app/

Green, Andy. “The most annoying concert behaviors” Rolling Stone Magazine, 13 januari 2013. http://www.rollingstone.com/music/news/the-10-most-annoying-concert-behaviors-20130114

Gunning, Tom. “Foreword” In: Early Cinema in Russia and its Cultural Reception. Yuri Tsivian, vert. A. Bodger, samenst. R. Taylor. Routledge, 1994.

Koch, Gertrud, Volker Pantenburg, Simon Rothöhler, samenst. Screen Dynamics. Mapping the Borders of Cinema, SYNEMA- Gesellschaft für Film und Medien 2012.

Metz, Christian en Alfred Guzzetti. “The Fiction Film and Its Spectator: A Metapsychological Study” New Literary History, vol. 8, No.1, 1976

Mulvey, Laura. Death: 24x a second. Stillness and the Moving Image. Londen: Reaktion Books, 2006

Mulvey, Laura. “Visual Pleasure and Narrative Cinema.” Screen. (1975): 6-18

Oever, Annie van den. Ostrannenie: on “strangeness” and the moving image : the history, reception, and relevance of a concept. Amsterdam University Press, 2010

Singer, Linda. “Eye/Mind/Screen: Toward a phenomenology of Cinematic Scopophilia” Quarterly Review of Film & Video. vol. 12 no. 3, 1990. 51-67

Strauven, Wanda, samenst., Cinema of Attraction Reloaded. Amsterdam University Press, 2006.


[1] “Bioscoop bezoek stabiel in 2012” 10-1-2013 en zie ook Jaarverslag 2011 Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten en de Nederlandse Vereniging van Filmdistributeurs. http://www.nvbinfocentrum.nl/

[2] Screen Dynamics. Mapping the Borders of Cinema. Gertrud Koch, Volker Pantenburg, Simon Rothöhler, samenst., SYNEMA- Gesellschaft für Film und Medien 2012.

[3] Bellour, Raymond. “The Cinema Spectator: A Special Memory” In: Screen Dynamics. Mapping the Borders of Cinema. Gertrud Koch, Volker Pantenburg, Simon Rothöhler, samenst.,SYNEMA- Gesellschaft für Film und Medien 2012, 9.

[4] Bellour, Raymond. “The Cinema Spectator: A Special Memory” In: Screen Dynamics. Mapping the Borders of Cinema. Gertrud Koch, Volker Pantenburg, Simon Rothöhler, samenst.,SYNEMA- Gesellschaft für Film und Medien 2012, 17.

[5] Hediger, Vinzenz. “Lost in Space and Found in a Fold. Cinema and the Irony of Media” In: Screen Dynamics. Mapping the Borders of Cinema. Gertrud Koch, Volker Pantenburg, Simon Rothöhler, samenst.,SYNEMA- Gesellschaft für Film und Medien 2012, 64-65.

[6] Kessler, Frank. “The Cinema of Attractions as Dispositif” In: Cinema of Attraction Reloaded. Wanda Strauven. Amsterdam University Press, 2006. 59

[7] Albera, Francois,  en Maria Tortajada, “Introduction to an Epistemology of Viewing and Listening Dispositives” In: Cinema Beyond Film. Media Epistemology in the Modern Era. Francois Albera en Maria Tortajada, samenst., Amsterdam University Press, 2010. 11
8 Albera, Francois,  en Maria Tortajada, samenst., Cinema Beyond Film. Media Epistemology in the Modern Era. Amsterdam University Press, 2010.

[11] Cristian Metz noemt dit perceptual transference; de toeschouwer is ondergeschikt aan de droomachtige en slaperige verwarring van film en realiteit. Dit hangt samen met paradoxical hallucination: de toeschouwer verwart verschillende realiteitniveaus, waarvan het niveau van het filmverhaal inderdaad fictief is, maar tegelijk wel echt gezien is en deels voor waar wordt aangenomen.

[12] De bioscoop keten Pathé wijst het publiek expliciet op deze conventies voorafgaand aan de film en heeft zelfs een alarmnummer waar overlast gemeld kan worden tijdens de voorstelling.

[13] Een zeer interessant boek dat diep in gaat op filmintrinsieke aspecten van de mediumervaring is: Bolter, Jay David en Richard Grusin. Remediation. Understanding New Media. The MIT Press, 2000

[14] Belangrijke werken over dit aspect van de filmbeleving zijn o.a.: Oever, Annie van den. Ostrannenie: on “strangeness” and the moving image : the history, reception, and relevance of a concept. Amsterdam University Press, 2010
en Gunning, Tom. “Foreword” In: Early Cinema in Russia and its Cultural Reception. Yuri Tsivian, vert. A. Bodger, samenst. R. Taylor. Routledge, 1994.

[15] Doane, Mary Ann. “The Close-Up: Scale and Detail in the Cinema” In: Differences; vol. 14 (2003)

[16] In de paragraaf over de kijkervaring wordt de filmic state aan de hand van Christian Metz beschreven als een afgezonderde passieve houding. Dit behoeft nuancering en aanvulling.

[17] Singer, Linda. “Eye/Mind/Screen: Toward a phenomenology of Cinematic Scopophilia” Quarterly Review of Film & Video. vol. 12 no. 3, 1990. 51-67

[18] Hetzelfde ontstaat digitaal met behulp van social media. Niet geheel toevallig worden dit virals genoemd.

[19] Casetti, Fancesco. “The Filmic Experience” Yale, 2007. <http://www.franscescocasetti.net>

[20] Green, Andy. “The most annoying concert behaviors” Rolling Stone Magazine, 13 januari 2013. http://www.rollingstone.com/music/news/the-10-most-annoying-concert-behaviors-20130114

[21] Dit is nuttig voor ouderen die vaak een luide ringtone hebben en vergeten dat ze een telefoon (bij zich) hebben, maar ook voor jongeren die de telefoon veel gebruiken zonder geluidsoverlast, maar wel met afleidende oplichtende schermpjes.

[22] “Sms zaalnummer, plaats en oorzaak naar het nummer ..”

[23] http://www.filmhuisdenhaag.nl/special/1406/scherp-scherper-scherpst-van-celluloid-naar-4k.aspx

[24] Marlieke Wilders onderzocht dit aspect in: “Theaterbeleving in het belevenistheater: de architectuur van het theatergebouw als context voor de theaterervaring,” 2011.

[25] “Gebruik second screen bij bioscoopfilm app” 8-3-2013 http://www.marketingonline.nl/nieuws/bericht/gebruik-gsm-in-bioscoop-bij-nieuwe-nederlandse-film-app/

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

Down the Rabbit Hole. Alice in Media Wonderland door Elize de Mul

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Elize de Mul, winnares van de Publieksprijs, We Play Culture 2012.

Down the Rabbithole. Alice in Mediawonderland

Elize de Mul

Down the rabbit hole

Opgroeiend in een technologisch geconstrueerde leefwereld, treft het me telkens weer hoe wonderlijk, ambigue en paradoxaal de omgeving is die we voor onszelf hebben geschapen. We leven in een wereld waarin er over de stoelgang wordt getwitterd, terwijl het recht op privacy nog nooit een zo belangrijk onderwerp van discussie is geweest. Een wereld waarin we nog nooit zo connected zijn geweest als nu, terwijl we al starend naar de schermen van onze iPhones, laptops en tablets ontsnappen aan de wereld en anderen om ons heen. Een wereld waarin belangrijke nieuwsitems afgewisseld worden met foto’s van lollige katten. Gedurende mijn studieloopbaan als nieuwe media studente trof het me dat huidige nieuwe media theorieën vaak weinig oog lijken te hebben voor de alledaagse paradoxen van een technologische leefwereld en mens.

Mijn veronderstelling is dat dit te maken heeft met de invloed van het moderne dualistische denken op onze alledaagse en wetenschappelijke percepties van onze wereld en onszelf. Door onze werkelijkheid op te delen in overzichtelijke tegenstellingen – natuur/technologie, nieuwe media/oude media, mens/techniek, binnen/buiten et cetera – is het aan de ene kant mogelijk greep te krijgen op de anders chaotische werkelijkheid en daar zin aan te geven. Anderzijds zorgt deze benaderingstechniek er voor dat er grenzen worden getrokken die in werkelijkheid op zijn minst onscherp te noemen zijn. De bril die we onszelf hebben aangemeten, kan ons met andere woorden niet altijd helpen onze wereld scherp(er) te zien. Zoals ik aan het einde van dit artikel kort illustreer, zorgt dit er mijns inziens voor dat wetenschappers die zich bezig houden met nieuwe media en technologie – ook wanneer zij getuigen van een evenwichtig vermogen tot evaluatie – al te extreme conclusies trekken, door uiteindelijk toch naar één van de polen van de genoemde tegenstellingen te trekken. Dit doet geen recht aan de ambivalentie en het paradoxale karakter van onze alledaagse werkelijkheid, evenmin als aan het betoog van deze wetenschappers.

Om ons denken weer ‘open’ te gooien en tot meer evenwichtige conclusies te komen, is er een radicaal andere gedachtewijze nodig. Als onderdeel van de huidige samenleving en wetenschappelijke wereld blijkt het echter verdraaid lastig om aan het gevestigde moderne denkbeeld te ontkomen. In het volgende leg ik kort uit wat dit ‘moderne denken’ inhoudt en introduceer ik Alice en de landschappen van Wonderland als een denkinstrument om ruimte te bieden aan de paradoxen van het alledaagse.

De moderne mens
‘De mens’ is, filosofisch gezien, nog niet zo oud, een denkproduct van het humanisme en de Verlichting. De mens wordt vanaf het eind van de veertiende eeuw steeds meer als de maat der dingen beschouwd, als een subject met rechten dat bovendien zijn eigen werkelijkheid kan vormgeven. Dit denkbeeld – dat zijn wortels heeft in de klassieke Griekse filosofie en tevens doorwerkt in de moderniteit – is niet enkel van invloed op de filosofie, maar werkt ook (nog steeds) door op onze alledaagse perceptie en interpretatie van de wereld en van onszelf. Door de mens als een subject te plaatsen tegenover een wereld van objecten is er een dualistisch denkmodel ontstaan, waarbij de mens, het ‘subject’, steeds geldt als middelpunt en fundament. Hierdoor ontstaat er een wereldbeeld dat wordt gekenmerkt door strikte ‘grenzen’, tussen subject en object, binnen en buiten, zin en onzin, tussen natuur en technologie.

Men kan zich afvragen in hoeverre mens en techniek ooit werkelijk onafhankelijk van elkaar hebben bestaan, maar de grens tussen mens en techniek, tussen ‘subject’ en ‘object’, lijkt door zich snel ontwikkelende technologieën moeilijker vast te stellen dan ooit. Ambient Intelligence technologieën kunnen in de toekomst wellicht informatie rechtstreeks uit ons brein tappen (Frissen, 2011: 17) en in het geval van deep brain stimulation bevindt de technologie zich al in ons brein, waar het onze ervaring en zelfs ons karakter fundamenteel weet te veranderen (Verbeek, 2011: 11). Het lijkt daarmee weinig vruchtbaar huidige ontwikkelingen te benaderen vanuit een krampachtig dualistisch denken. Het einde van ‘de mens’, het moderne subject, is door filosofen als Nietszche voorspeld en door andere denkers als Heidegger, Latour en Deleuze nagestreefd, maar vooralsnog lijkt ons hedendaagse én wetenschappelijke denken van dualisme doortrokken. In een poging mijn eigen geest open te gooien voor de alledaagse paradox toog ik aan de hand van bovengenoemde ‘anti-dichotomiedenkers’ naar Wonderland waar ik een gesprek aanging met Alice en andere wonderlijke figuren. Wat kunnen we van haar leren? En verschilt ons alledaagse leven wel zoveel van de ambigue landschappen van haar Wonderland?

Down the Rabbithole

1. Deleuze
Wonderland is een omgeving waarin de paradox een groot toneel aangeboden krijgt. De diverse stellingen die Alice op haar reis voorgelegd krijgt door kleurrijke karakters, volgen vaak een logisch en zinvol schema, maar blijken inhoudelijk totale nonsens. Iedereen in Wonderland beheerst de Engelse taal, maar toch lijken zij elkaar vaak systematisch te misverstaan. Alice groeit meerdere malen uit tot reuzin, maar blijft een ‘klein meisje’. Dit maakt dat wonderland een belangrijke denkinstrument is in het boek Logique du Sens(1969) van de Franse filosoof Gilles Deleuze. Aan de hand van voorbeelden en passages uit Alice in Wonderland en Through the Looking-Glass verkent Deleuze de ‘theorie van de zin’ in een serie van vierendertig verschillende paradoxen.

Ook in ons dagelijks leven blijkt de paradox fundamenteel. Achter ‘helderheid’ en ‘zin’, verbergt zich volgens Deleuze meestal iets anders. Om überhaupt te kunnen beginnen aan het vormen van een begrip van onze paradoxale en beweeglijke leefwereld, moeten we volgens Deleuze ons denken radicaal omgooien en meer experimenteren, bijvoorbeeld zoals een kind dat doet. In die zin is het niet vreemd dat Deleuze juist in Alice – of the little girl zoals hij haar vaak noemt – zijn muze heeft gevonden; het meisje dat zowel haar omgeving als zichzelf continu bevraagd en daarbij soms een zeer aparte logica hanteert, waarbij ze meer dan een enkele keer breekt met bestaande (filosofische) conventies, bijvoorbeeld door zich af te vragen of ze wellicht haar vriendin Mabel is. Maar Alice biedt meer dan dat, zij blijkt zelf een vleesgeworden paradox, een pur devinir (zuiver worden). Logique du sens vangt aan met Deleuzes essay over de ‘première série de paradoxes du pur devinir’ waarbij de nietsvermoedende lezer al snel een diep, diep konijnenhol in kukelt. In een passage die je hersens doet kraken legt Deleuze uit dat Alice, wanneer ze weer eens plotseling de lucht inschiet, niet enkel ‘groter wordt dan ze was’, maar ook ‘kleiner wordt dan ze is’. Deleuze is (evenals de Duitse filosoof Martin Heidegger)                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     strikt tegen een lineaire opvatting van tijd, wat de bovenstaande paradoxale stelling aangaande Alices lengte zeer bondig illustreert. Alice ‘is’ niet enkel op een gegeven moment, maar ‘was’ ook en ‘zal zijn’, en dat allemaal tegelijkertijd. De paradox van het ‘devient plus grande’ (groter worden) van Alice, is, zoals Deleuze demonstreert, gelegen in het groter worden dan zij was en het kleiner worden dan ze zal zijn in dezelfde beweging. Het worden opvatten als een oneindige gebeurtenis betekent tevens dat – in het voorbeeld van de groeiende Alice – ‘groter’ en ‘kleiner’ niet meer elkaars tegengestelde zijn, maar onderdeel van hetzelfde worden. Zij vinden immers tegelijkertijd plaats! Het worden van de mens omhelst daarmee de paradox.

2. Plessner
Ook de Duitse filosoof Helmuth Plessner tracht het moderne denken open te gooien door de mens te benaderen als een van nature ‘open’ wezen. Hij betoogt deze stelling onder andere in zijn hoofdwerk Die Stufen des Organischen und der Mensch (1928). Dit boek omvat een analyse van de ‘zijnswijze’ van diverse typen organismen, waaronder ook de mens. Levende organismen onderscheiden zich van niet-levende natuur, doordat zij in het bezit zijn van een grens. Ze bezitten dus niet enkel contouren, zoals een steen deze bijvoorbeeld kent, maar worden gekenmerkt door een grens en derhalve ook door grensverkeer, alsmede door een specifieke relatie tot die grens (Plessner 1975, 138f.; vgl. De Mul, 2002: 224). Plessner richt zich in zijn analyse van levende organismes daarom op hun wijze van ‘grensrealisering’, ofwel de wijze waarop organismen “al dan niet een grens afbakenen tussen zichzelf en hun omgeving” (Verbeek, 2011: 75). Hij spreekt in dit geval van hun ‘positionaliteit’.

De positionaliteit van levende wezens blijkt zich te kenmerken door een bi-aspectiviteit, voortkomend uit het feit dat ze door het bezitten van een grens ook een ‘binnen’ en een ‘buiten’ kennen. Door te kijken naar de wijze waarop de positionaliteit van een bepaald organisme is georganiseerd, is het mogelijk een belangrijk verschil tussen planten, dieren en mensen te benoemen. Bij de plant is de organisatie van de positionaliteit ‘open’; het organisme heeft geen relatie tot zijn positionaliteit; een plant verhoudt zich niet tot zijn grens. Bij dieren is dit al anders, zij beschikken over een fysiek centrum (het zenuwstelsel) waar vanuit hun grensverkeer bemiddeld wordt. Waar de plant dus een lichaam is, is én heeft het dier een lichaam. De mens is, net zoals de plant, een lichaam en heeft, net zoals het dier, een lichaam, maar er is hier nog meer aan de hand. Ik verhoud me immers ook tot mijzelf, ik verhoud mij tot mijn eigen centrum. Een mens is dus een lichaam en heeft een lichaam, maar is tegelijkertijd ook altijd buiten zijn lichaam. Dit tegelijkertijd binnen én buiten onszelf zijn is een paradoxaal gegeven, dat geheel tegen onze normale beleving in gaat (ik ben immers toch ‘gewoon’ mezelf?). Maar het feit dat ik niet alleen mijn leven leef en beleef, maar ook nog dit beleven ervaar, maakt dat ik mij altijd zowel in als buiten mijn centrum bevind. Plessner noemt deze specifiek menselijke organisatie van positionaliteit ‘excentrisch’.[1]

Maakt Plessners notie van ‘excentrische positionaliteit’ de mens al een paradoxaal wezen in termen van tegelijkertijd ‘binnen’ en ‘buiten’ zichzelf zijn, ook de tegenstelling ‘natuurlijk’/‘artificieel’ blijkt met betrekking tot de mens moeilijk te hanteren. We zijn door deze positionaliteit volgens Plessner namelijk ‘van nature kunstmatig’ (Plessner 1975, 385). We bestaan immers niet gewoon, zoals een opossum, bidsprinkhaan of diepzeehengelvis bestaan, maar we hebben door onze excentriciteit tevens de mogelijkheid om ons te verhouden tot dit bestaan. Sterker; onze excentriciteit  veroorzaakt een fundamentele spanning, aangezien we ons bewust zijn van ons bestaan en daardoor beseffen dat we er zelf iets van kunnen en moeten maken (Verbeek, 2011: 76). Het ‘knutselen’ aan onszelf is daarmee al zo oud als de mens zelf. Wij hebben aan onszelf nooit genoeg om te overleven, we zijn niet in het trotse bezit van een indrukwekkende rij scherpe tanden of klauwen, een lekker harige vacht of uitmuntende zintuigen. Met ‘cultuur’ en ‘techniek’ – in de breedste zin van het woord – in de vorm van dierenvellen, vuur, een pneumatische boor, appelschilmesje of Segway, “schept de mens zichzelf een kunstmatige omgeving om het ervaren gebrek en de ervaren naaktheid te compenseren” (Verbeek, 2011: 76).

In de figuur van Alice vinden beide paradoxen (‘binnen’ en ‘buiten’/ ‘natuur’ en ‘techniek’) een toneel. Waar we doorgaans weinig tot niet direct bewust zijn van het feit dat wij ons excentrisch tot onszelf verhouden (zoals gesteld gaat het ‘buiten jezelf staan’ tegen alle ‘good sense’ in), lijkt Alice regelmatig te spelen met haar positie tegenover haar eigen grens. Zo spreekt ze graag hardop tegen zichzelf, waardoor ze innerlijke gedachten naar buiten brengt om deze vervolgens zelf in gedachte weer in twijfel te stellen (“She was rather glad that there was no one listening this time, as it didn’t sound at all the right word” (editie Gardner, 2001: 13). Ook verbetert ze zichzelf graag en “sometimes she scolded herself so severely as to bring tears into her eyes; and once she remembered trying to box her own ears for having cheated herself in a game of croquet she was playing against herself” (editie Gardner, 2001: 18).

Ook de spanning tussen ‘natuur’ en ‘techniek’ neemt in Alice in Wonderland een belangrijke plaats in. In het geval van Alice is het niet een gebrek aan klauwen, tanden of vacht dat haar tot ‘tekortwezen’ maakt, maar de lengte van haar lichaam. Wanneer zij na haar val in het konijnenhol in een gang vol deuren belandt, blijkt er één deurtje te zijn die naar een prachtige tuin leidt. Alice wil hier dolgraag heen, maar blijkt vele malen te groot voor de deur. Dankzij haar excentrische positionaliteit is zij in staat te reflecteren  op deze gebeurtenis en bovendien haar eigen tekort te (h)erkennen. Haar lichaam staat haar enkel toe haar hoofd door de deur te steken, en zelfs dan zo beredeneert Alice, “It would be of very little use without my shoulders” (editie Gardner, 2001: 16). Om tot een oplossing te komen zoekt zij het tekort niet bij de deur (als zijnde ‘te klein’), maar bij zichzelf (als zijnde ‘te groot’). Alice besluit haar reflectie dan ook dan ook met de verzuchting: “Oh, how I wish I could shut up like a telescope” (editie Gardner, 2001: 16), De oplossing dient zich al snel aan in de vorm van een vloeistof die opgedronken wil worden. Wanneer ze er eenmaal achter is dat bepaalde drink- en etenswaren haar groter en kleiner maken, maakt Alice bewust en veelvuldig gebruik van de mogelijkheid van lengte te wisselen.

3. Latour
Latour stelt in zijn Nous n’avons jamais été modernes : Essai d’anthropologie symétrique (1991) dat we ondanks het moderne denken zelf nooit écht modern zijn geweest. Het moderne denken, dat een purificatie van onszelf en de wereld nastreeft, is een ideologie, die in wezen niet aansluit bij de werkelijke toestand van de ‘zijnden’ (een term die Latour leent van Heidegger). Het moderne denken is een zwart-wit denken – mens/techniek, natuur/cultuur, politiek/wetenschap, mensen/niet-mensen (Latour, 1993: 10-11) – terwijl er in werkelijkheid veeleer sprake is van een grijs gebied, het gebied van wat Latour de ‘hybriden’ noemt. De opkomst van het moderne denken wordt vaak gezien als de geboorte van ‘de mens’, maar deze visie getuigt van een asymmetrie, daar zij geheel voorbij gaat aan de gelijktijdige geboorte van “‘nonhumanity’ – things, or objects, or beasts” (Latour, 1993: 13).

Een van de problematische facetten van het moderne denken is het gegeven dat er verschillende ‘partijen’ bestaan, die zich paradoxaal tonen. Spreken we bijvoorbeeld over ‘society’, dan kan deze zowel zwak als sterk zijn, evenals de natuur zowel zwak als sterk kan zijn. Een vermeende oplossing voor dit probleem is dualisme, waarbij niet het onderzoeken van de ‘zachtheid’ of ‘hardheid’ van bepaalde polen in termen van hun relatie tot de rest van de wereld centraal staat, maar het zoeken van een zachtheid of hardheid als zijnde de essentie van een component (iets is ‘zacht’ of ‘hard’).

Een dergelijke benadering is problematisch omdat het geen oog heeft voor de relaties van één component met andere componenten, terwijl in ons dagelijks leven een component van onze leefwereld niet op zichzelf staat, maar in de wereld. Net als Deleuze pleit Latour voor een ‘herinrichting’ van ons mentale landschap, waarin ook het ‘Middle Kingdom’ van ‘quasi-objects’ (Latour, 1993: 55) een plek krijgt. In plaats van krampachtig te proberen absolute scheidingen te maken, zoals die tussen mens/techniek, moeten we meer oog krijgen voor het geheel, de netwerken waarin de mens en andere ‘zijnden’ zich bevinden. Zijn Actor Network Theory (ANT) biedt een vruchtbaar nieuw kader.

Onze realiteit bestaat volgens Latour uit een serie van onderhandelingen tussen een ontelbare hoeveelheid krachten, waaronder menselijke, maar ook niet-menselijke ‘actoren’ (Latour, 2007: 72). Deze wereld opdelen in ‘schone’ hokjes is onmogelijk, omdat elke actor relaties onderhoudt met talloze andere actoren, hetgeen tot ‘beweging’ in actoren leidt. De verschillende relaties tussen actoren vormen niet één netwerk, maar er bestaan er eerder een heleboel naast elkaar, waarbij één actor deel kan uitmaken van diverse netwerken. Sommige actoren kunnen bovendien zelf óók weer worden opgevat als netwerk. Een belangrijk punt in de ANT is het gegeven dat de verschillende actoren in principe op een zelfde ontologische basis staan, ook niet-menselijke actoren kunnen ‘handelen’.

Waar bij het vormen van dichotomieën het toedichten van een bepaalde essentie van componenten van onze wereld onvermijdelijk lijkt (doordat alles op zichzelf staat), benadert Latour het ‘zijn’ van actoren op een geheel andere wijze. Voor hem heeft een actor geen ‘kern’, maar wordt hij in zijn in-de-wereld-zijn (eveneens een aan Heidegger ontleende term) op een bepaald moment geheel gekarakteriseerd door zijn geheel aan kenmerken. Waar Deleuze en Heidegger tegen een lineaire opvatting van tijd zijn (ik ben, maar was ook en zal zijn), wijst Latour hiermee in feite de hele duurzaamheid van de traditionele substantie af. Een actor is zijn relaties, op een gegeven moment, in een gegeven netwerk.

Wonderland herbergt ook een Latouriaans landschap, waarin ook niet menselijke actoren (soms letterlijk) een stem krijgen. Dieren kunnen praten, drankjes en koekjes manen om gedronken te worden en sommige deuren laten Alice niet door. Er bestaat volgens Latour niet zoiets als essentieel sterkere of zwakkere actoren. Zij kunnen dus wel sterker of zwakker zijn, maar deze ‘gesteldheid’ hangt af van het netwerk en de relaties waarin zij zich begeven. Door het dynamische karakter van netwerken zijn actoren eigenlijk continu bezig met het inzetten of aanpassen van hun eigen krachten. Het effect dat zij hebben op andere actoren bepaald in feite hun ‘kracht’. Latour gaat dus niet uit van een a priori natuurlijke kracht. Alice illustreert dit wanneer ze enorm gegroeid is nadat ze van het mysterieuze flesje gedronken heeft. Ze kan geen kant meer op en huilt dan ook tranen met tuiten. Een traan lijkt een weinig ‘machtige’ actor op het eerste gezicht, al helemaal wanneer geplaatst in relatie tot een menselijke actor. Wanneer Alice echter plotseling krimpt, komt zij na een val terecht in een zee… van tranen. Alice dreigt te verdrinken in haar eigen tranenzee, wat haar tranen tot een onverwacht machtige actor maakt.

Zoals opgemerkt gaat Latour niet uit van een ‘essentie’ noch van de ‘duurzaamheid’ van een actor. Het idee van duurzaamheid is een thema dat de kleine Alice goed bezighoudt. De magische ‘vruchten’ van Wonderland komen niet alleen in allerlei soorten en maten; zij hebben eenzelfde effect op Alices lichaam. Gedurende haar avontuur in Wonderland verandert zij enkele malen drastisch van uiterlijk, nu eens langer dan een boom met een nek als een slang, dan weer piepklein met haar hoofd op haar voeten. Ondanks deze radicale lichamelijke veranderingen blijft Alice op zoek naar een ‘Alice-essentie’. Zo verbindt ze haar ‘Alice-zijn’ aan de kennis die ze bezit, door te testen of ze de tekst van gedichtjes op kan  zeggen. Wonderland blijkt echter een vreemde uitwerking op haar voordrachten te hebben en de teksten krijgen ineens een eigenaardige inhoud. Zo leert Alice al snel dat een dergelijke poging tot zelfdefinitie in feite niets uithaalt. In ‘WonderlANT’ en in het bijzonder in de figuur van Alice wordt duidelijk hoe actoren in een ‘netwerk’ functioneren en wat dit betekent voor het ‘zijn’ van een actor. Wat we vooral van Latour (en met Alice) kunnen leren, is het open staan voor de wereld, waarbij we moeten proberen te vermijden om alles in vooraf gegeven begrippen te dwingen. Doen we dat wel dan gaan we voorbij aan werkelijke toestand van actoren, waar we ook zelf onderdeel van zijn.

Mediawonderland
Onze technologische samenleving is – net als Wonderland – doortrokken van een voortdurende beweeglijkheid die niet te reduceren valt tot gefixeerde polen, hoezeer de nieuwe media wetenschappen dat soms ook proberen te doen. Onze wereld kenmerkt zich door paradoxen, alhoewel hierbij moet worden gezegd dat ‘paradox’ wellicht een ietwat ongelukkige term is, daar deze gestoeld is op het moderne denken waartegen anti-dichotomie denkers zich juist verzetten. Immers, het naast elkaar bestaan van ‘tegendelen’ is altijd zo geweest, het is door het denken in dichotomieën dat dit naast elkaar bestaan van tegendelen ineens een ‘paradoxaal’ karakter krijgt.

De ‘anti-dichotomische’ Alice en haar Wonderland, die een open manier van denken bewerkstelligen, ontdaan van het hokjessyndroom van het moderne denken, kunnen ons helpen de digitale cultuur waarin we leven en de manier waarop we hier een begrip van vormen beter te begrijpen. Zoals gesteld lijkt de grens tussen mens en techniek door snel ontwikkelende technologieën steeds lastiger te definiëren, als dit al ooit mogelijk was. Toch blijkt het moderne denken zich vaak nog (ongemerkt) meester te maken van wetenschappers die zich over dergelijke materie buigen. Zo biedt Nicholas Carr in zijn boek The Shallows - What the Internet is Doing to our Brains (2010) een mooi overzicht van de overgang van de orale cultuur naar de schriftcultuur en van de schriftculuur naar de internet- en hypertekst cultuur met grote aandacht voor de complexe wisselwerking tussen mens en techniek. Hoewel hij in de eerste instantie de problemen van het dichotmisch denken lijkt te onderkennen, schiet hij in het laatste deel van zijn boek plots terug in een strikt onderscheid tussen mens en techniek, wat zich onder meer vertaalt in een romantisch technologiepessimisme waarbij het internet volgens hem een grote bedreiging vormt voor de mens. Een dergelijke pessimistische kijk zien we ook terug bij Turkles Alone Together (2011). Ze behandelt interessante paradoxen van deze tijd, zoals menselijke techniek en technologische mensen, maar ziet het feit dat we robots menselijke trekjes toekennen of onszelf vergelijken met techniek als bedreigend, omdat ze mens en techniek als twee losstaande dingen tracht te zien. Dit zijn slechts twee mogelijke voorbeelden van nieuwe media wetenschappers die tot op zekere hoogte getuigen van een evenwichtige kijk op de technologie en de relatie met de mens, om vervolgens toch weer te vervallen in een al te eenslachtige conclusie.

Het is goed om stil te staan bij de invloed die onze technologische leefwereld heeft op ons en onze kijk op de wereld en andersom. Dit moeten we echter wel doen met oog voor de veelzijdigheid en ambiguïteit van het alledaagse bestaan. We moeten de wonderlijke wereld die we voor onszelf geschapen hebben met een open blik betreden, zoals Alice in Wonderland. Down the rabbit hole we go.

Literatuurlijst:

Carr, N. The Shallows – What the internet is doing to our brains. New York: W. W. Norton & Company, 2010.

Deleuze, G. Logique du sens. Paris: Les Editions de Minuit, 1969.

Frissen, V. et al. (red.) De Transparante Samenleving – Jaarboek ICT en Samenleving 2011. Gorredijk: Media Update Vakpublicaties, 2011.

Gardner, M. The Annotated Alice – The definitive edition. London: Penguin Books, 2001.

Latour, B. We have never been Modern. Cambridge:  Harvard University Press, 1993.

Mul, J. de. Cyberspace Odyssee. Kampen: Klement, 2002.

Plessner, H. Die Stufen des Organischen und der Mensch: Einleitung in die philosophische Anthropologie. Frankfurt, Suhrkamp, 1975.

Turkle, S. Alone Together. Why We Expect More from Technology and Less from Each Other. New York: Basic Books, 2011.

Verbeek, P. De grens van de mens. Over techniek, ethiek en de menselijke natuur. Rotterdam: Lemniscaat, 2011.



[1] Traditioneel wordt dit kenmerk ook wel aangeduid met de term reflexiviteit. Zo gebuikt bijvoorbeeld Plato in de dialoog Alcibiades  (133b) in verband met de menselijke zelfkennis het beeld van een oog dat zichzelf in de spiegel ziet (Plato,  1975, deel III, 58)


 

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

Waarom zou je meedoen? Door Anne Last

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Anne Last.

Waarom zou je meedoen? Een kritisch betoog over de participatie-ideologie van de e-democratie

door Anne Last

E-democracy

Inleiding: De paradox van e-participatie

Sinds de jaren ’90 werd er door enkele optimisten het idee van de een digitale democratie geopperd. Een nieuwe overheid gemedieerd door de destijds nieuwe technologie van het internet. Pessimisten wezen juist op de mogelijke gevaren van meer overheidsregulatie van ICT’s en voorspelden zelfs een daling van burgerparticipatie op deze wijze (Van Dijk 2006: 104). Nu, meer dan 20 jaar later is de discussie opnieuw leven ingeblazen mede door de gebeurtenissen omtrent de Arabische Lente in het Midden-Oosten. Echter ook in Nederland zijn er meerdere grote initiatieven om burgerparticipatie via digitale communicatiemedia te laten verlopen, zoals Verbeterdebuurt.nl.

In dit betoog wordt het idee van het technologisch imaginair besproken in het licht van macht en democratie. In het eerste hoofdstuk wordt de aanname uiteengezet van het vooruitgangsdenken dat techniek en digitale communicatiemedia de burger in het digitale tijdperk anno 2012 daadwerkelijk handelingsvermogen en hiermee meer macht zou geven. Doordat iedereen een stem lijkt te krijgen via de digitale snelweg kan technisch gezien iedereen gehoord worden met tot gevolg dat iedere stem de potentie heeft bij te dragen aan een groter draagvlak. Dat deze potentie niet per definitie bijdraagt aan een directe democratie wordt in hoofdstuk twee besproken, waar met name onzichtbare disciplinerende machten worden uitgelicht. Hier staat de vraag of de huidige representatieve democratie door de burger als een meer directe democratie gepercipieerd wordt door het gebruik van nieuwe media centraal. Dit leidt ten slotte tot het laatste hoofdstuk waar ik beargumenteer dat de utopische aanname over de democratiserende kracht van e-participatie niet terecht is en genuanceerd dient te worden.

De inspraak van een participerende burger lijkt het schoolvoorbeeld van een democratie. Steeds meer gemeentes maken gebruik van e-participatie, een manier waarop de burger een stem krijgt via de digitale media (Verbeterdebuurt.nl 2012a). In dit onderzoek gebruik ik als voorbeeld van e-participatie het platform Verbeterdebuurt.nl. De burger kan zijn stem laten horen via dit platform om vervolgens direct naar de gemeente doorgespeeld te worden. De keerzijde van e-participatie en de schijnbare macht die de burger lijkt te krijgen is de onzichtbare commerciële kant van dit plaatje. Het handelingsvermogen van de burger wordt meestal gefaciliteerd door commerciële partijen of andere belanghebbenden. Het ontbreken van online transparantie is een cruciale reden die het naar mijn inzicht noodzakelijk maakt dit betoog te schrijven. Trebor Scholz verwoordt dit als volgt: “[t]he problem is not that Web presence is monetized but that more often than not, the social contract between user and platform owner is breached through a lack of transparency such as privacy ‘agreements’ in the small print” (Scholz 2008). Kwesties als privacy, verzameling van persoonsgegevens en groei van het marktaandeel zijn vaak niet direct zichtbaar maar kunnen wel indirect ten grondslag liggen aan initiatieven als Verbeterdebuurt.nl.

In dit betoog poog ik ernaar een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van kennis in het huidige discours rondom het gebruik van digitale communicatiemedia. Het geeft inzichten vanuit een historisch perspectief in beoefening van democratie waarbij de rol van onzichtbare vormende machten en het technologisch imaginair gecombineerd wordt met de kennis van e-participatie om hiermee tot nieuwe inzichten te komen en de wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek vorm te geven. Daarnaast ligt de maatschappelijke relevantie in het vergroten van de kennis en transparantie voor de burger, waarbij het maatschappelijk debat in kaart wordt gebracht. Tevens streef ik binnen deze context voor bewustwording onder burgers. Het is in het publieke belang dat de burger voorzien wordt van objectieve, belangeloze informatie en niet in de ideologische schijn van participatie leeft. Daarom wordt de stelling “Het technologisch imaginair wat gepaard gaat met e-democratie laat de burger verkeren in een participatie-ideologie” in dit betoog onderbouwd. De deelvragen richten zich op de geschiedenis van macht en democratie in de samenleving waarna ik in zal gaan op de hedendaagse opvatting van het technologisch imaginair en de uitvoering van de moderne vormen van democratie. Hierbij wordt onder andere de theorie van de Frankfurter Schule en Michel Foucault gebruikt. Vervolgens wordt het begrip e-participatie uiteen gezet en wat dit concreet kan betekenen voor de burger. Ten slotte wordt er geconcludeerd dat we leven binnen een heersende participatie-ideologie die mede door het technologisch imaginair wordt vormgegeven.

Het technologisch imaginair: de droom van participatie

Zo ver de ontwikkeling van de technologische geschiedenis reikt, gaat de komst van een nieuw medium gepaard met het idee van het revolutionaire; uitvindingen die grote gevolgen hebben voor de processen in de Westerse samenleving. Mijlpalen uit de geschiedenis van grote veranderingen door de komst van technologie zijn bijvoorbeeld de introductie van de drukpers en de stoomtrein (Snooks 2002). Dat beide uitvindingen een onuitwisbare invloed op de facetten van het dagelijks leven hebben gehad behoeft hier geen nader betoog. Echter een fenomeen dat minder direct zichtbaar is en mede daarom zinvol om te benoemen, gaat tevens gepaard met de komst van nieuwe technologische uitvindingen. Het is de utopische droom die het ideaalbeeld van gebruikers van genetwerkte draadloze technologieën kan waarmaken. Er lijkt keer op keer een nieuwe wereld open te gaan wanneer er een technologische inventie gedaan wordt, waarbij het geprojecteerde verlangen telkens een beetje dichterbij lijkt te komen. In dit hoofdstuk wordt dit verlangen besproken in het licht van de opkomst van nieuwe technologieën aan de hand van het begrip technologisch imaginair.

De komst van het World Wide Web (WWW) zoals Tim Berners-Lee dit in 1994 ontwikkelde is tevens te zien als een mijlpaal (Castells 2002: 16). Sindsdien is het dagelijks leven van een burger fundamenteel veranderd. Dit geldt voor de manier waarop we onze vrije tijd en entertainment ervaren, maar ook hoe we vriendschappen opnieuw vormgeven. Manuel Castells, informatiewetenschapendeskundige, opent het eerste hoofdstuk van zijn boek The Internet Galaxy (2002) met de woorden dat het internet het weefsel van ons leven is (Castells 2002: 1). Met deze metafoor demonstreert hij de impact van het internet waardoor iedereen met elkaar verbonden is. Door de digitalisering van technologische netwerken staan gebruikers van mobiele communicatie apparaten (denk hierbij aan smartphones, laptops en andere draadloze genetwerkte nieuwe media) continu met elkaar in verbinding in een hybride ruimte (De Souza e Silva 2006). Via de interface van een mobiel apparaat dat verbinding heeft met een netwerk wordt deze hybride ruimte gecreëerd, een onzichtbare digitale laag die alle gebruikers met elkaar in een netwerk verbindt.

Deze hybride ruimte wordt gecreëerd door de gebruikers van nieuwe mediatechnologieën, een veelgehoorde term in het populaire discours anno 2012. Zoals aan het begin van dit hoofdstuk het revolutionaire van de komst van nieuwe technologieën benoemd is, is dit tevens terug te vinden in de draadloze genetwerkte nieuwe media. De Engelse professor Kevin Robins vat dit aspect van de huidige techno-cultuur samen: “[a]s if the technological future would be another world, a utopian world, a world more in conformity with our desires and our ideals” (Robins 1996: 11). Wat Robins hier zegt is dat de perceptie van de komst van nieuwe technologieën gepaard gaan met een positieve connotatie, waarbij technologie een belangrijke vervullende rol speelt. Technologie kan immers nieuwe producten zoals robots ontwikkelen en de ideale omgeving creëren. Kortom, technologie kan dromen tot werkelijkheid maken.

Binnen de cultuur- en mediastudies wordt deze gedachte geconceptualiseerd tot het begrip technologisch imaginair. Bij deze vorm van vooruitgangsdenken kunnen we de vraag stellen hoe een fysiek onzichtbaar fenomeen dat zich op de achtergrond in de hybride ruimte afspeelt, idealistische gedachten projecteert op de samenleving. Het imaginair vindt haar oorsprong in de psychoanalysetheorie van Franse postmodernist Jacques Lacan waarbij het imaginair als aanvulling wordt gezien op iemands zijn, een projectie op datgene wat iemand nastreeft om zich compleet en volledig te voelen. Concreet genomen is de ‘iemand’ in deze context een gebruiker van nieuwe mediatechnologieën, die bijvoorbeeld zijn ideale zelf creëert middels een fictieve avatar in een web community (Robins 1996: 15, Lister et al. 2009: 67, De Vries 2009: 83).

Ook digitale gebruikersparticipatie gaat gepaard met het technologisch imaginair. Denk hierbij aan de niet onrealistische gedachte dat iedere gebruiker van YouTube vanuit zijn slaapkamer beroemd kan worden. Dit resulteert in een compleet nieuwe stroming artiesten, zoals de Nederlandse Esmée Denters die ontdekt is via haar filmpjes op YouTube. Een van de nieuwe manieren waarop een internetgebruiker zijn droom om beroemd te worden kan verwezenlijken. In het boek Bastard Culture! (2011) laat Mirko Tobias Schäfer zien dat deze vorm van participatiecultuur niet alleen maar lovende woorden toekomt, maar dat er ook gekeken moet worden naar de context waarin een productie tot stand komt.

In dit betoog kijk ik kritisch naar de context waarin e-participatieplatform Verbeterdebuurt.nl tot stand komt. Verbeterdebuurt stimuleert burgerparticipatie binnen de lokale gemeente waardoor ideeën gedeeld en problemen opgelost kunnen worden die door de burger gemeld zijn via het platform middels hun smartphone of computer. Dergelijke initiatieven wekken de indruk dat zij zorgen voor vooruitgang; een verbetering van het huidige klimaat waarbij de rol van de burger van grote invloed kan zijn. Een stap in de richting van een directe en verbeterde democratie middels e-participatie. De kaders waarbinnen deze gebruikersparticipatie tot stand komt worden in de volgende twee hoofdstukken besproken.

In het debat van het huidige discours zijn de meningen verdeeld over de vraag of e-participatie een democratiserende werking heeft. Er zijn kortweg twee dominante meningen te onderscheiden: de cyberutopians en de tech-pessimists. In de media wordt met name de nadruk gelegd op de utopische kant van het imaginair waar veelal positieve connotaties worden gedaan. Het kamp van de cyberutopians wordt onder andere vertegenwoordigd door Paul Levinson die zich hoofdzakelijk profileert als volger van mediawetenschapper Marshall McLuhan. Levinson ziet het digitale tijdperk als een tijdperk van verbetering en stelt onder andere dat online participatie kan leiden tot een directe democratie. Hier tegenover staan de tech-pessimists die het technologisch imaginair juist op de tegenovergestelde manier interpreteren, waarbij het imaginair gezien wordt als een vervreemding van de verbeelding en het verlangen. Onderzoeker Evgeny Morozov vertegenwoordigt het laatstgenoemde standpunt in dit debat. In zijn recent gepubliceerde boek The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom (2011) positioneert Morozov zich lijnrecht tegen Levinsons standpunt. In de volgende hoofdstukken belicht ik beide standpunten in dit debat. Ik maak duidelijk waarom Levinsons visie te rooskleurig is aan de hand van diverse voorbeelden en waarom een genuanceerde kritische blik die Morozov aanreikt noodzakelijk is.

Een kritische blik op macht en democratie

In het Volkskrant artikel ‘Internet kan onze democratie verdiepen en versterken’ van de zogenoemde 2.0-ambtenaar Davied van Berlo wordt de positieve connotatie tussen internet en democratie wederom opgeroepen (Van Berlo 2011). Van Berlo refereert in dit artikel naar Isaac Asimovs idee uit 1955 over het sciencefictionverhaal Franchise, waarin een elektronische democratie gesticht wordt. Met de term democratie 3.0 vertaalt Van Berlo Asimov naar ons huidige tijdperk, waarin op bijna wiskundige wijze de data van burgerbehoeftes gemonitord kan worden en tegelijkertijd ten uitvoering gebracht wordt. Een in mijn ogen onterecht geïdealiseerde gedachte die de schijnbare cohesie tussen gebruik van nieuwe mediatechnologieën en een verbeterde democratische maatschappij probeert te bevestigen.

In dit hoofdstuk wordt duidelijk waarom het continu verzamelen van burgerdata en e-participatie geen verbetering zal zijn van de huidige representatieve democratie zoals Van Berlo dit voorstelt. Voordat hier op wordt ingegaan is het eerst zinvol om een duidelijk beeld te schetsen middels het werk van Michel Foucault, hoe macht en discipline in de democratische samenleving ontstaan is en welke vormen hiervan te onderscheiden zijn. Ten slotte wordt het hoofdstuk afgesloten met het antwoord op waarom er sprake is van een schijnmacht binnen digitale participatiemogelijkheden. De suggestie die dikwijls gewekt wordt in artikelen zoals hierboven beschreven is bijvoorbeeld dat de participatiemogelijkheden van het internet de individuele gebruiker meer macht en vrijheid geeft, zoals het dit geval zou zijn bij Verbeterdebuurt.nl. Heeft de gebruiker hier daadwerkelijk macht of leeft hij alleen in deze waan?

De Franse postmodernistische denker Michel Foucault zet het ontstaan van een gedisciplineerde maatschappij uiteen in zijn artikel ‘Discipline and Punish: The Birth of the Prison’ (1977), waarbij hij het ontwerp van het panopticon van de Britse filosoof Jeremy Benthams centraal stelt. Dit ontwerp van de perfecte gevangenis maakt gebruikt van wat Foucault noemt power-knowlegde. Het concept is gebaseerd op het feit dat kennis macht is, de gevangene weet door de architectuur van de gevangenis niet of hij wel of niet bewaakt wordt. Dit resulteert in het feit dat hij zich continu bewust is dat er mogelijk een bewaker aanwezig is en hier zijn gedrag op aanpast. Foucault stelt dat macht altijd aanwezig is, al dan niet onzichtbaar werkt. Niet alleen binnen de deuren van de gevangenis werkt deze vorm van macht, maar deze wordt bijvoorbeeld ook zichtbaar op school, op de werkvloer, in het ziekenhuis en binnen het gezin. Net zoals in het panopticon is de onderdrukte gedisciplineerd geraakt door de zijn omgeving en gedraagt hij zich hiernaar. De machthebbende hoeft dus geen continue druk uit te hoeven om autoriteit af te dwingen maar gaat uit van geïnternaliseerde zelfdiscipline (Foucault 1977).

Foucault overdenkt dergelijke maatschappelijke veranderingen. Hoe heeft het tonen van macht en autoriteit in de maatschappij zich van publiek vierendelen naar een gedisciplineerde samenleving kunnen verschuiven binnen een eeuw? Waar vroeger terechtstelling publiekelijk plaatsvond, dus transparant was, werd later steeds meer achter gesloten deuren gehouden, zoals in het panopticon. Wanneer deze gedachte doorgetrokken wordt naar ons huidige digitale tijdperk, kan er gesteld worden dat we leven in een moderne versie van het panopticon (Rheingold 1993: 14). Terwijl internet transparant lijkt te zijn, is er altijd een hogere disciplinerende macht waarin de gebruiker zich schikt. Enerzijds is er een oneindige stroom van informatie en zijn er talloze participatiemogelijkheden die internetgebruikers tot hun beschikking hebben, terwijl anderzijds Google en Facebook technisch gezien de hogere autoriteit vormen die hun gebruikers faciliteren en hiermee indirect disciplineren (Morozov 2011: 159-60). De overtreffende trap hiervan zijn overheden die internetgebruik beperken en reguleren, echter dat wordt hier buiten beschouwing gelaten. Het idee van het moderne panopticon kan op het platform van Verbeterdebuurt.nl gelegd worden, het een lijkt transparante stichting zonder commerciële belangen, terwijl de data van participerende burgers buiten het zicht van hen om verkocht wordt aan gemeentes via het moederbedrijf CreativeCrowds BV. Dit bedrijf werkt volgens het freemium-model, volgens Chris Anderson is dit model “one of the most common Web business models” (Anderson 2008). Door het basisgebruik van de site gratis beschikbaar te stellen komt dit de expansie van het platform ten goede. Hierbij worden premium-producten aangeboden in de vorm van Verbeterdebuurt Plus, om gemeentes goed gebruik te laten maken van de data voorziet CreativeCrowds tegen betaling in diverse software services (Lens 2012). Deze betaalde diensten legitimeren het bestaan van Stichting Verbeterdebuurt en zijn hiermee de onmisbare bron van inkomsten die CreativeCrowds bestaansrecht geven.

Het hiaat wat hier naar mijn inzicht benoemd moet worden is hoe gebruikersdata ongemerkt veranderen in handelswaar ten behoeve van CreativeCrowds. Ervan uitgaande dat niet alle gebruikers dit problematisch vinden, mist er wel degelijk transparantie in deze constructie. Een gebruiker zou hierin tenminste de keuze om wel of niet bij te dragen aan commerciële doeleinden moeten krijgen. Volgens het huidige model is de gebruiker is in de veronderstelling dat hij een actief participerende burger is die zijn steentje bijdraagt aan de democratie, terwijl zijn data zonder medeweten als input voor commerciële doeleinden dient.

In een later werk richt Foucault (1982) richt zich wederom op de ontsluiering van machtsrelaties. In ‘The Subject and Power’ beschrijft de filosoof hoe een subject in de samenleving gevormd wordt door onzichtbare machten. Middels deze tekst benadrukt Foucault dat het van belang is bewust te zijn van vormende machten om ons heen, om deze op te zoeken en tevens te bevragen. Foucault streeft er naar om normaliseringsprocessen bloot te leggen middels het subject-denken (Foucault 1982). Door alles te bevragen wat wij als normaal ervaren worden machtsrelaties zichtbaar. Door te bevragen hoe Facebook omgaat met onze gegevens blijkt dat gebruikers vaak meer van hun privacy opgeven dan zij daadwerkelijk bewust van zijn (boyd en Hargittai 2010).

Een individu is zich volgens Foucault niet bewust van macht, omdat hij deze als normaal ervaart en geaccepteerd heeft (Foucault 1982). De participatiemogelijkheden op het internet geven de gebruiker het idee dat hij zich vrij kan uiten en binnen zijn eigen mogelijkheden macht kan ervaren. Echter, wanneer we deze situatie kritisch bekijken blijkt dat de gebruiker binnen de dominante macht gestuurd en gedisciplineerd wordt. De macht, ofwel invloed, die de gebruiker voelt is naar mijn mening relatief. Gebruikers kunnen alleen onder bepaalde voorwaarden participeren en zo hun bijdrage aan de democratie leveren.

Dit zijn de disciplinerende kaders die Verbeterdebuurt.nl stelt, zoals de kennis van het bestaan van de site, het vereiste van internet(vaardigheden), meldingen worden tegen betaling doorgestuurd met gekoppelde gemeentes, zoals bij Gemeente Leerdam gebeurt (Verbeterdebuurt 2012b). Bij nieuwe ideeën moet de gebruiker eerst tien stemmen verzamelen via sociale media om überhaupt gehoord te worden (Verbeterdebuurt 2012c). Van Berlo verwoordt het probleem van deze geaccepteerde zelfdiscipline als: “[I]s dat een 2.0-alternatief voor de representatieve democratie of een opmaat voor kortetermijndenken en de terreur van de meerderheid? Democratie is er ook voor de rechten van de minderheid” (Van Berlo 2011). Net zoals in de offline democratie bestaat er online ook het gevaar dat alleen de meest dominante stem gehoord en gerepresenteerd wordt.

Terug naar het debat van de cyberutopians en de tech-pessimists, om de discussie van een abstracter macroniveau te belichten. Paul Levinson stelt dat iedereen via het gebruik van digitale communicatiemedia gehoord kan worden en dit de samenleving een stap dichterbij een directe democratie brengt.[1] Hij illustreert dit met de volgende woorden: “the age of mass media and representative democracy may well be in irreversible decline, replaced by the more equitable system of direct democracy in which the majority not only truly rules, but in which everyone’s views can get a public hearing, and everyone can vote at any and all times” (Levinson 2011). Doordat technisch gezien de vorm van een directe democratie binnen de mogelijkheden lijkt te komen heeft iedere stem de potentie gehoord te worden. Levinsons woorden zijn beladen met het technologisch imaginair zoals in hoofdstuk één beschreven is, waarbij hij van een vorm van ultieme participatie uitgaat. Hij stelt dat een directe democratie een betere democratie is en dicht hierbij digitale communicatiemedia een niet geringe rol toe. Naar mijn inzicht slaat Levinson door in deze stellingname. Een betere democratie is niet per se een directe democratie waarbij iedereen digitaal kan participeren. Ten tijde van het ontstaan van de oorspronkelijke Griekse democratie was deze ook niet direct en niet al helemaal niet toegankelijk voor iedereen (Williams 1976).

Evgeny Morozov is van mening dat het promoten van vrijheid en democratie via het internet een “naïef concept” is (Morozov 2011b). Hij ontkent niet dat deze nieuwe media geen invloed hebben, maar stelt dat juist dat de rol hiervan overschat wordt. Met name in landen waar er een autoritair regime heerst, waar burgers alleen de bevrijdende kracht van technologie zien en hun ogen sluiten voor politieke en economische macht in hun land. Juist hier wordt internet gebruikt om protest te verbannen, zoals recentelijk in Egypte gebeurde waardoor het regime internet werd afgesloten. In het hoofdstuk ‘You Can’t Be a “Little Bit Free” on the Internet’ laat Morozov in zijn laatste boek de paradox zien van Westerse overheden die vooral de vrijheid van het internet promoten, maar anderzijds niets melden over de controle die zij uitvoeren op het internet (Morozov 2011a). Hij suggereert dus dat de overheid een schijn van internetvrijheid laat zien. Deze suggestie is toepasselijk op de casus van Verbeterdebuurt.nl. In een video op het PICNIC Festival promoot minister Piet Hein Donner Verbeterdebuurt.nl en noemt het: “een slimme en innovatieve toepassing die bijdraagt bij aan burgerparticipatie” (Donner 2011). Donner schaart zich hier te makkelijk achter de lovende woorden van e-participatie en het technologisch imaginair naar mijn mening. Hij maakt het hiermee aannemelijk, met Foucaults woorden over disciplinerende machten in het achterhoofd, dat Verbeterdebuurt het antwoord van de burgers is op de massale invloedrijke corporaties en overheden die ons controleren. E-participatie geeft de burger een stem. Ik ontken hier niet dat e-participatie de burger geen stem geeft, integendeel, maar juist via het freemium-model duwt Donner ons weer in de fuik van het massale systeem. Een gebaar wat ik van hem als minister hierdoor als twijfelachtig beschouw.

De schijnmacht van de individuele gebruiker

In het vorige hoofdstuk heb ik aangetoond dat in een samenleving macht altijd onzichtbaar ‘aan het werk is’, terwijl gebruikers of burgers zich hieraan conformeren en macht hiermee accepteren werken zij tevens zelf deze macht in de hand. Door een kritische blik op burgerparticipatie en de context hiervan wordt duidelijk waar en bij wie de macht ligt. Wederom wordt in dit hoofdstuk de grens van de eigenlijke macht van burgerparticipatie opgezocht middels het begrip e-participatie en door het Marxisme geïnspireerde gedachten. Tot waar ligt de grens van gepercipieerde digitale vrijheid van gebruikers?

Tijdens de opkomst van het WWW in het jaar 1993 sprak Howard Rheingold al over de potentiële democratische functie van nieuwe communicatietechnologieën. Rheingold schreef dit voor de crash van de ‘dotcom-bubbel’ in het jaar 2000, waarbij hij destijds al veelvoudig het idee van de elektronische democratie bekritiseerd. Met de woorden “[w]hy should this new medium be any less corruptible than previous media?” relativeert hij naar mijn mening duidelijk de tijdelijkheid van een hype waar de komst van elk nieuw medium of technologie mee gepaard gaat (Rheingold 1993: 240).

In het tijdperk van het door Tim O’Reilly benoemde Web 2.0 heeft het WWW een enorme groei doorgemaakt. Nieuwe technologieën zorgen voor een sociaal internet met oneindige participatiemogelijkheden (O’Reilly 2005). Alles en iedereen staat continu met elkaar in verbinding, maar de vraag is of we voorbij de hype kunnen kijken. Hoe sociaal en democratisch is dit web en heeft de gebruiker inspraak zoals bij Verbeterdebuurt.nl gesuggereerd wordt? Met andere woorden, verbetert de buurt daadwerkelijk door zoveel mogelijk e-participanten die ideeën via de applicatie van het platform melden? Mediacriticus Trebor Scholz kijkt voorbij de rooskleurige wereld van O’Reilly en benadrukt de commerciële kant van het Web 2.0 waar interesses van marketeers en gebruikers op basis van uiteenlopende belangen gevoed worden (Scholz 2008).

Door de participatiecultuur als gevolg van het Web 2.0 verschuift de traditionele relatie tussen consument en producent stelt Mirko Tobias Schäfer in zijn boek Bastard Culture! (2011). Consumenten produceren en distribueren hun eigen media, bijvoorbeeld via YouTube. Dit wekt de indruk dat de consument aan zet is en met een scala aan e-participatiemogelijkheden zijn macht in eigen handen heeft. Producenten worden genoodzaakt hun businessmodel te herzien, waarbij de data gecreëerd door gebruikers (user generated content, UGC) een belangrijke rol spelen (Schäfer 2011: 125-7). Echter juist de rol van deze UGC wordt binnen het discours vaak kritisch benaderd (Andrejevic 2009, McChesney 2009, Schäfer 2011). Snijdt het mes aan twee kanten of worden de producenten alleen maar groter en zijn de consumenten ongemerkt online crowdsourced free labor die louter voor data zorgen?

In ‘Exploiting YouTube’ toont Mark Andrejevic hoe een platform als YouTube profiteert van de UGC door het verkopen van reclameruimte aan adverteerders. Het is geen geheim binnen de traditionele mediawereld dat meer dan driekwart van het totale marktaandeel wereldwijd door slechts zes grote mediagiganten vertegenwoordigd wordt (Kazemier 2010). Robert McChesney benoemt deze zes pioniers als het corporate media cartel (McChesney 1999). Het gevolg van deze concentratie is een buitenproportioneel machtsvertoon wat zich uit in kartelvorming. Dit sluit andere, vaak kleinere partijen, buiten en is daarmee per definitie geen bijdrage aan een democratisch beleid. De kans op het gebrek aan diversiteit in de nieuwe digitale mediawereld is groot volgens Jeffrey Chester, Executive Director van Centre for Digital Democracy als we niet tijdig ingrijpen (Chester 2007). Met name in de Verenigde Staten is de lijn tussen de overheid en mediagiganten niet eenduidig. Waar financiële belangen de boventoon voeren, kan het pluriforme publieke belang van de bevolking niet de prioriteit hebben. Volgens Chester lobbyt het machtige corporate media cartel binnen de politiek en zet hun belangen uit bij non-profit organisaties om zo beetje bij beetje de wet naar hun hand te zetten (Chester 2007). Hoewel het Amerikaanse systeem niet met het Nederlandse systeem vergeleken kan worden, kan hier toch een les uit getrokken worden. Overheid en bedrijven moeten naar mijn mening gescheiden functioneren. Volksvertegenwoordigers dienen hun functie in het kader van het publieke belang uit te oefenen en zouden zich niet in moeten laten met commerciële partijen. Het eerdergenoemde promotiefilmpje van Donner voor Verbeterdebuurt.nl passeert in mijn visie de scheidslijn tussen overheid en bedrijven.

Dat de commercie in het weefsel van mediaproducties zit blijkt uit de praktijk. Een complete media-economie gaat schuil achter deze industrie, ondanks de politieke regulering. In ‘The Culture Industry Reconsidered: 1975’ van Theodor Adorno wordt expliciet gemaakt hoe het economische winstoogmerk de drijvende kracht achter cultuur en maatschappij is. Adorno was een van de grondleggers van de Frankfurter Schule, een door het Marxisme geïnspireerde beweging die zich kritisch uitliet over massacultuur. Mediaproductie is volgens hem veranderd in een cultuurindustrie waar het alleen draait om winst. Net zoals Foucault spreekt Adorno over onderliggende machtstructeren waar de massa zich blind conformeert aan een onbekend ideaal (Adorno 1991: 85-6). Cultuurproductie krijgt hiermee een top-down benadering waar individuele artistieke vrijheid plaatsmaakt voor herhaling van handelswaar. Telkens in een nieuw jasje gestoken, waardoor het de schijn van iets nieuws heeft. De massa laat zich sturen door deze ideologie waar consumeren als normaal wordt beschouwd. Het gevaar van deze ideologie is dat de massa denkt een stem en keuzevrijheid te hebben, terwijl de keuze al voor hen bepaald is door de industrie. Door de schijn van nieuwe producties, die telkens in een andere vorm terugkomt, lijkt het alsof de consument macht heeft om te kiezen terwijl de kapitalistische kaders dit al ingeperkt hebben (Adorno 1991: 87-8).

Bij de productie van Verbeterdebuurt.nl wordt het concept burgerparticipatie in een nieuw jasje gestoken, zoals hiervoor bij Adorno benoemd is. Burgerparticipatie is een van de grondbeginselen van een democratie en kent hiermee bestaansrecht sinds de invoering van de eerste Griekse democratie. De komst van nieuwe digitale technieken maken de weg vrij voor e-participatie van burgers, via bijvoorbeeld smartphone of computer. Internetbedrijf CreativeCrowds heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt om dit te faciliteren middels het freemium-businessmodel. Door in de vorm van een stichting de burgerparticipant van een gratis platform gebruik te laten maken kan de data die dit oplevert als handelswaar verkocht worden via het bedrijf aan gemeentes. Terwijl burgerparticipatie niet nieuw is, is deze manier van commercialisatie van burgerdata wel nieuw. In het Financiële Dagblad bevestigt medeoprichter van Verbeterdebuurt Stijn van Balen: “[h]et is een nieuw economisch domein waarin nog van alles kan gebeuren” (Cohen 2011). Zoals bij het technologisch imaginair eerder omschreven is, gaan nieuwe technologieën gepaard met een utopische verbeelding, waar alles nog beter wordt dan voorheen. Door het gebrek aan transparantie is de burger in de waan dat deze manier van participatie ook daadwerkelijk beter is, evenals de naam van het platform ook suggereert: een verbetering van de buurt.

Net zoals in Adorno’s theorie wekt Verbeterdebuurt de indruk dat het bottum-up werkt, vanuit de massa naar bedrijven of overheid. Terwijl tevens met zijn theorie gesteld kan worden dat digitaal participeren via Verbeterdebuurt juist top-down werkt; net zoals in de cultuurindustrie wordt hier door enkele organisaties bepaald op welke manier de burger zijn stem mag laten horen. De gepercipieerde invloed van de gebruiker is daardoor beperkt. Deelnemende gemeentes geven bepaalde de affordances aan e-participatie.[2] Zij sturen de burger al in een bepaalde richting, zoals het gebruik van digitale media waardoor het handelingsvermogen van de burger beperkt wordt. De burger dient binnen de grenzen van Verbeterdebuurt zijn stem te laten horen. Het gevolg is dat hij deze voorwaarden accepteert als zijnde ‘normaal’ en door het gebrek aan transparantie zich onbewust conformeert aan een onbekend ideaal.

Conclusie: De participatie-ideologie van de e-democratie

In dit betoog heb ik aangetoond dat participatiemogelijkheden op het WWW niet altijd transparant voor gebruikers zijn. Het gevolg hiervan is dat gebruikers daardoor zich niet altijd bewust zijn van het feit dat hun gebruikersdata voor commerciële doeleinden kan dienen. In deze scriptie is het begrip e-participatie uitgelicht aan de hand van de case Verbeterdebuurt.nl. Burgers die gebruik maken van de toepassingen van het platform Verbeterdebuurt.nl zijn in de veronderstelling, mede door aanmoediging voor het gebruik door minister Donner, dat ze bijdragen aan een betere samenleving. Ze verbeteren hun buurt middels opvolging te geven aan hun participatierecht binnen het democratisch burgerschap. Wat zij niet direct zien is de freemium-constructie van CreativeCrowds BV, waarbij data van burgerparticipatie als primaire input voor een commercieel businessmodel geldt.

CreativeCrowds maakt op deze wijze gebruik van de positieve connotatie die gepaard gaat met de opkomst van online burgerparticipatie. De komst van nieuwe digitale mediatechnologieën is sterk beladen met het utopische idee van het technologisch imaginair; dat door online participatie een directe democratie verwezenlijkt kan worden. Zoals ik met Trebor Scholz in de inleiding van dit betoog argumenteer is het niet de commercialisatie van het web waar deze scriptie zich op focust, hier is immers niet aan te ontsnappen. Echter ligt de focus op het gebrek aan transparantie waarmee data als handelswaar gecreëerd wordt. Aan de hand van het werk van Theodor Adorno is gebleken dat online data van burgerparticipatie als onderdeel van de cultuurindustrie een commercieel doel dient. Middels Michel Foucault heb ik aangetoond dat gebruikers vaak onbekende privacy regels accepteren en zich hiermee schikken zonder tegengeluid in de macht van de commercie, zoals CreativeCrowds. Door alsmaar data te verstrekken worden commerciële partijen steeds groter en kunnen ze vergeleken worden met het moderne panopticon.

Op deze wijze werkt e-participatie niet per se democratiserend, maar juist ten behoeve van één partij. De gedachte van Paul Levinson dat meer e-burgerparticipatie leidt tot een directe democratie en dit een betere uitgangspositie is heb ik tegengesproken. Voordat het idee ‘hoe meer stemmen, hoe meer draagvlak voor een representatieve democratie’ ingevoerd kan worden moeten er verstrekkende maatregelen genomen worden in de basisprincipes van de huidige uitoefening van de democratie. In dit betoog heb ik de sceptische positie ingenomen waarbij ik aansluiting vind bij tech-pessimist Evgeny Morozov. Hiermee sluit ik niet uit dat er geen mogelijkheden zijn dat nieuwe mediatechnologieën een bijdrage kunnen leveren aan een democratisch beleid. Echter, een e-democratie is gezien deze context een utopische aanname. De democratiserende kracht van e-participatie kan middels Morozovs werk genuanceerd worden en geeft een verfijnder inzicht in de heersende participatie-ideologie.

Bibliografie

Adorno, Th.W. 1991. The culture industry: Selected essays on mass culture. Londen en New York: Routledge.

Anderson, C. 2008. Free! Why $0.00 Is the Future of Business. Wired. [Geraadpleegd op: 16 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.wired.com/techbiz/it/magazine/16-03/ff_free?currentPage=all.

Andrejevic, M. 2009. Exploiting YouTube. Contradictions of user-generated content in The Youtube reader. Red. P. Snickars & P. Vonderau. Stockholm: National Library of Sweden. 406-423.

Berlo, D. van. 2011. Internet kan onze democratie verdiepen en versterken. Volkskrant.
[Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.volkskrant.nl/vk/nl/6164/Overheid-2-0/article/detail/3057263/2011/11/30/Internet-kan-onze-democratie-verdiepen-en-versterken.dhtml.

boyd, d. en Hargittai, E. 2010. Facebook privacy settings: Who cares? First Monday. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/issue/view/317.

Castells, M. 2002. The Internet Galaxy. Oxford: University Press.

Chester, J. 2007. Digital Destiny: New Media and the Future of Democracy. New York: The New Press.

Cohen, R. 2011. Schatkamer aan overheidsdata opengesteld. Financiële Dagblad. [Geraadpleegd op: 14 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/2011/11/10/open-data-in-de-buurt/.

De Souza e Silva, A. 2006. From Cyber to Hybrid: Mobile Technologies as Interfaces of Hybrid Spaces. Space and culture 9 (3) 261-278.

Dijk, J. van. 2006. The Network Society. Social Aspects of New Media. Londen: Sage Publications Ltd.

Donner, P.H. 2011. Minister Donner noemt Verbeterdebuurt een voorbeeld. PICNIC Festival. [Geraadpleegd op: 15 januari 2012]. Beschikbaar via: http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/2011/09/16/minister-donner-noemt-verbeterdebuurt-een-voorbeeld/.

Foucault, M. 1977. Discipline and Punish: The Birth of the Prison. New York: Vintage. [Origineel 1975]

Foucault, M. 1982. The Subject and Power. Critical Inquiry, Vol. 8 No. 4. Chicago: University Press. 777-795.

Gergen, K.J. 2008. Mobile Communication and the Transformation of the Democratic Process in Handbook of Mobile Communication Studies. Londen: MIT Press. 297-310.

Kazemier, B.J. 2010. The Masters Of The Media. This is Propaganda. [Geraadpleegd op: 5 januari 2012]. Beschikbaar via: http://www.youtube.com/watch?v=6m-g3UmkmHs.

Lens, C. 2012. Verbeterdebuurt / Creative Crowds. E-mail van Anne Last naar Carl Lens. 19 januari 2012.

Levinson, P. 2011. Occupy Wall Street, Direct Democracy, Social Media: A Thumbnail History of Media and Politics Since Ancient Athens. Paul Levinson’s Infinite Regress. [Geraadpleegd op:  21 december 2011]. Beschikbaar via http://paullevinson.blogspot.com/2011/10/occupy-wall-street-direct-democracy.html.

Lister, M. et al. 2009. New Media: A Critical Introduction. Londen: Routledge.

McChesney, R. 1999. Rich media, poor democracy: Communication politics in dubious times. Urbana: University of Illinois Press.

Morozov, E. 2011a. The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. New York: Public Affairs.

Mozorov, E. 2011b. What role does technology really play in pro-democracy revolutions? Stream. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://stream.aljazeera.com/story/cyber-realism-versus-cyber-utopians.

Norman, D. A. 2002. The design of Everyday Things. New York: Basic Books.

O’Reilly, T. 2005. What Is Web 2.0: Design patterns and business models for the next generation of software. O’Reilly Media, Inc. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://oreilly.com/web2/archive/what-is-web-20.html.

Rheingold, H. 1993. The Virtual Community. Homesteading on the Electronic Frontier. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley.

Robins, K. 1996. Into the Image: Culture and Politics in the Field Of Vision. Londen en New York: Routledge.

Schäfer, M.T. 2011. Bastard Culture! Amsterdam: Amsterdam University Press.

Scholz, T. 2008. Market Ideology and the Myths of Web 2.0
in First Monday. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/2138/1945.

Snooks, G.D. 2000. Was the Industrial Revolution Necessary? Londen en New York: Routledge.

Verbeterdebuurt.nl, 2012a. Meer dan 300 gemeentes nemen deel aan het Verbterdebuurt.nl platform. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/uitleg/hoe/.

Verbeterdebuurt.nl, 2012b. Leerdam is gekoppeld. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/plus/voorbeelden/leerdam/.

Verbeterdebuurt.nl, 2012c. Uitleg meldingen. Verbeterdebuurt.nl. [Geraadpleegd op: 4 januari 2012]. Beschikbaar via http://www.verbeterdebuurt.nl/blog/uitleg/faq/.

Vries, I. de. 2009. The vanishing points of mobile communication in digital material tracing new media in Everyday Life and Technology. Amsterdam: Amsterdam University Press. 81-94.

Williams, R. (1976). Keywords: A Vocabulary of Culture and Society. Londen: Fontana Press.



[1] We leven in Nederland in een representatieve democratie (ook wel indirecte democratie genoemd), waar een door het volk verkozen parlement de stem van de burger vertegenwoordigd wordt. Een directe democratie zou inhouden burgers

direct inspraak hebben, waarbij er geen vertegenwoordiging van een parlement is (Rijksoverheid 2011).

[2] Een affordance is een term uit de design industrie en omschrijft tot welke acties of eigenschappen een apparaat of ding ons uitnodigt (Norman 2002).

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

Mobile Augmented Reality door Marieke Pots

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij elke dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Marieke Pots.

Mobile Augmented Reality en de Staat van Absent Presence

Een explorerend onderzoek naar de houdbaarheid van de theorie over absent presence (Gergen, The Challenge of the Absent Presence) in het licht van de nieuwe ontwikkelingen rondom augmented reality op de smartphone anno 2013.

Marieke Pots 

Het huidige medialandschap kenmerkt zich door vele en snelle veranderingen. De mobiele telefoon past in dit beeld. Terwijl de eerste mobiele telefoon al werd gemaakt in de jaren ’50, kwam de technologie pas echt op met de komst van het GSM-netwerk in de jaren ’90 (Baron). Een mobiele telefoon is nu, ongeveer 20 jaar later, behoorlijk geëvolueerd. Natuurlijk kan een mobiele telefoon nog steeds gebruikt worden om te bellen, maar een smartphone met een camera, een internetverbinding en een GPS-functie, biedt nog veel meer mogelijkheden.

In de wetenschap werd vanaf de jaren ’90 veel geschreven over de gevolgen van een mobiele telefoon op de dagelijkse praktijken van mensen in een ruimte. Kenneth J. Gergen beschrijft met het concept “absent presence” het verschijnsel waarbij mensen fysiek aanwezig zijn, maar door technologie ondergedompeld worden in een andere wereld (Gergen, The Challenge of the Absent Presence 227). Hij doelt hierbij echter niet op de mobiele telefoon, maar op alle andere media uit de 20e eeuw. Gergen spreekt van “monologic” communicatietechnologieën, zoals de televisie, de radio en de walkman (229). Een eigenschap van deze monologic communicatietechnologieën is dat zij steeds meer de potentie hebben om mensen onder te dompelen in private werelden met als gevolg dat de ruimtes waarin men zich bevindt, worden geprivatiseerd. Zo hebben veel gezinnen nu meerdere televisies in huis waardoor ieder gezinslid zijn eigen programma kan kijken, en zo worden mensen op straat ondergedompeld in hun muziek door een walkman. Het belangrijkste punt van Gergen is dat een mobiele telefoon zich op een zeer positieve wijze onderscheidt van deze monologic communicatietechnologieën, omdat het de nadruk legt op intermenselijke communicatie en daarmee sociale interactie weer uitbreidt.

Gergen zet uiteindelijk kanttekeningen bij deze uitspraak omdat de mobiele telefoon in 2002 al de potentie had om eigenschappen van de tv en radio over te nemen. Hierdoor zou een telefoon uiteindelijk weer kunnen veranderen in een monologic communicatietechnologie. Aangezien de mobiele telefoon sinds het essay van Gergen uit 2002 erg veranderd is, moet opnieuw gekeken worden naar de theorie over absent presence. De positieve blik van Gergen moet opnieuw bekeken worden in het licht van de nieuwe affordances van de smartphone in 2013.

Augmented reality (AR) is een voorbeeld van een nieuwe toepassing op mobiele telefoons. AR is een techniek waarbij de omgeving van de gebruiker wordt aangevuld met virtuele informatie. In dit artikel staat de bekendste toepassing van mobile AR centraal; de AR-browser Layar. Layar is een applicatie voor smartphones waarmee een gebruiker digitale “lagen” met virtuele informatie over het beeld van zijn of haar fysieke omgeving kan projecteren middels de camera, de GPS-functie en het internet.

Er zal gekeken worden naar de manier waarop er bij een smartphone met mobile AR (nog) sprake is van het positieve beeld, dat Gergen met het concept absent presence had, over de minder privatiserende invloed op de gebruikers van een mobiele telefoon. De manier waarop de AR-browser Layar zich verhoudt tot de staat van absent presence (onderdompeling) en de mogelijkheid tot sociale interactie zal worden onderzocht. Door het dagelijks gebruik van toepassingen van mobile AR te analyseren, kunnen de eventuele sociale implicaties voor gebruikers worden begrepen. Hierbij zal worden beschreven dat onze perceptie van een ruimte, en de manier waarop wij hierbij omgaan met anderen, radicaal kan gaan veranderen met mobile augmented reality.

Absent presence & het wetenschappelijke debat

Kenneth J. Gergen beschrijft met het concept “absent presence” de grote veranderingen in de ontwikkelingen van communicatietechnologieën in de 20e eeuw. Gergen beschrijft in de inleiding van zijn essay hoe absent presence opgevat dient te worden: “One is physically present, but is absorbed by a technologically mediated world of elsewhere” (The Challenge of the Absent Presence 227). Met deze opvatting verwijst hij vooral naar alle communicatietechnologieën uit de 20e eeuw, zoals de televisie en de radio. Het domein van de absent presence is door die technologieën vergroot, met destructieve gevolgen. De invloed van face-to-face communicatie werd verzwakt en de manier waarop mensen hun identiteit vormden in een lokale gemeenschap werd weggevaagd. Het centrale punt is hierbij dat deze technologieën steeds meer de potentie kregen om mensen onder te dompelen in private werelden.

Maar, de mobiele telefoon is een uitzondering op die technologieën. De mobiele telefoon zorgt namelijk voor een andere vorm van absent presence. Gergen beschrijft dit in een ander artikel: “More broadly, it may be said, that the mobile phone has lent itself to the pervasive state of an absent presence: the continuous presence at hand of family, friends and colleagues who are physically absent” (Gergen, Self and Community in the New Floating Worlds). Gergen is positiever over de mobiele telefoon dan over andere technologieën uit de 20e eeuw. De mobiele telefoon staat namelijk in dienst van intermenselijke communicatie, doordat men familie, vrienden en collega’s altijd bij zich draagt. De mobiele telefoon is daarmee minder privatiserend dan andere media.

Bij het essay van Gergen kunnen twee kanttekeningen geplaatst worden. Als eerste kan worden afgevraagd of deze opvatting over de mobiele telefoon in 2002 nog wel van toepassing is op de smartphone anno 2013. De tweede kanttekening die gezet kan worden is de manier waarop Gergen niet lijkt in te gaan op de vraag of een mobiele telefoon ook kan vallen onder zijn eerste opvatting van absent presence (waarbij men fysiek aanwezig is, maar mentaal ondergedompeld is in een andere wereld). Gergen beredeneert terecht dat een mobiele telefoon, in tegenstelling tot de tv en de radio, weer de intermenselijke communicatie voorop stelt, maar hij gaat hierbij niet meer in op een eventuele onderdompelende werking van de mobiele telefoon. De vraag die alsnog gesteld dient te worden is of de huidige smartphone (anno 2013, met een internverbinding, een GPS-functie en een camera) net als een tv en een radio, de gebruiker kan onderdompelen in een andere wereld.

Jukka-Pekka Puro schrijft dat een mobiele telefoon de intrinsieke eigenschap heeft om publieke ruimtes te privatiseren (23). Iemand die aan het bellen is, creëert zijn eigen privéruimte in het openbaar, waardoor er een sociale absentie ontstaat in de ruimte waarin men zich bevindt. De spreker mag dan fysiek aanwezig zijn, zijn mentale oriëntatie is bij iemand die niet in diezelfde ruimte is. Scott W. Campbell and Yong Jin Park beschrijven, net als Puro, dat mensen die aan het bellen zijn zich afsluiten van anderen die zich in diezelfde ruimte begeven (378).

Adriana de Souza e Silva stelt dat smartphones zich onderscheiden van de manier waarop in eerdere artikelen geschreven werd over een mobiele telefoon. De mobiele telefoon moet volgens haar gereconceptualiseerd worden als meer dan alleen een “two-way voice communication technology” (121). De Souza e Silva beweert dat de smartphone als sociale interface gezien kan worden: “[T]he development of new technologies such as location awareness and 4G will most likely reinforce this shift in the meaning of the mobile device: originally an emergency item, now a social network maker” (De Souza E Silva 121).

De tekst van Humphreys vat bovenstaande opvattingen samen door te beschrijven dat een mobiele telefoon een publieke ruimte kan privatiseren, maar dat dit is erg contextafhankelijk van de manier waarop de mobiele telefoon wordt gebruikt (828). Om uitspraken te kunnen doen over de hedendaagse validiteit van het positieve standpunt van Gergen over een mobiele telefoon, dient geanalyseerd te worden hoe een smartphone met augmented reality zich enerzijds verhoudt tot de staat van absent presence, en anderzijds de mogelijkheden voor sociale interactie.

Augmented reality en onderdompeling

Augmented reality kan letterlijk naar het Nederlands vertaald worden als toegevoegde realiteit. Ronald Azuma definieert AR op een duidelijke wijze: “Augmented reality combines real and virtual, is interactive in real time and is registered in 3-D” (2). Deze definitie zal centraal staan, omdat deze niet technologiespecifiek is. Er zijn namelijk meerdere toepassingen van AR mogelijk. Ivan Sutherland beschreef de eerste vorm van AR in 1968 aan de hand van een head-mounted display (HMD). Deze vorm is nooit op grote schaal te zien geweest in de maatschappij, maar de smartphone biedt nieuwe mogelijkheden en maakt mobile AR steeds breder toegankelijk. In dit artikel zal de AR-browser Layar steeds als voorbeeld worden genomen. Dit omdat deze applicatie de meeste aandacht krijgt, de meeste investeringen ontvangt, en daarnaast veel gedownload wordt door gebruikers (Groenhart). Layar is een applicatie voor smartphones die de omgeving van een gebruiker op het scherm laat zien, en dit aanvult met virtuele informatie (zie figuur 1). De eerste vraag die gesteld dient te worden is: op welke wijze verhoudt Layar, en daarmee mobile AR, zich tot de staat van absent presence zoals Gergen dit beschreef?

 Layar

Figuur 1: Layar: Een mobile AR-browser

De manier waarop Gergen spreekt over absent presence waarbij een persoon fysiek aanwezig is, maar waarbij de mentale oriëntatie van die persoon in een andere wereld is, kan niet worden doorgetrokken naar mobile AR. AR onderscheidt zich namelijk van alle andere mobiele toepassingen doordat de AR-interface altijd een dominante rol toekent aan de fysieke omgeving waarin de gebruiker zich bevindt (Höllerer and Feiner). Deze dominante rol van de fysieke omgeving komt ook naar voren bij alle definities van AR (Manovich; Milgram et al.; Azuma). Door deze dominante rol van de fysieke omgeving, moet de mentale oriëntatie van de gebruiker ook altijd deels bij zijn fysieke omgeving zijn. De gebruiker is daarom nooit volledig ondergedompeld in een gemedieerde wereld. Dit is vanuit het oogpunt van Gergen een zeer positief gegeven.

Maar, Gergen was niet alleen negatief over de onderdompelende werking van andere media, hij was juist positief over de mobiele telefoon in 2002 omdat het sociale aspect naar voren kwam. De tweede vraag is dan ook: tot in hoeverre is er bij de AR-browser Layar sprake van een sociale interactie?

Augmented reality en sociale interactie

In juni 2011 publiceerde Layar een blogpost met als titel “Come Get Social with Layar!”(Cameron). Maar in hoeverre kunnen we stellen dat Layar een sociale applicatie is? Om deze vraag te kunnen beantwoorden dienen eerst de kenmerken van sociale applicaties op mobiele apparaten te worden verkend. Het onderzoek van Eriksson et al. is een leidraad.

Eriksson et al. stellen dat mobiele technologie gebruikt kan worden om interactieve en sociale systemen in een openbare ruimte te ontwikkelen. De meerderheid van de mobiele applicaties heeft op dit moment echter een hoge mate van informatie push, wordt gebruikt in de persoonlijke sfeer en wordt door een instantie gereguleerd. In figuur 2 wordt dit aangegeven met de gestippelde cirkeltjes. Applicaties die deze kenmerken vertonen privatiseren openbare ruimtes volgens Eriksson et al. Maar, mobiele applicaties die juist een informatie dialoog stimuleren, sociale interactie bevorderen, en zelfregulerend zijn, kunnen nieuwe mogelijkheden bieden om de publieke ruimtes te veranderen in een socialere ruimte. Drie aspecten staan hierbij dus centraal: de mate van informatie-uitwisseling, sociale ondersteuning en regulering.

Als eerste wijzen Eriksson et al. op de mate van informatie-uitwisseling in publieke ruimtes (2). Er zijn veel voorbeelden te noemen van publieke ruimtes waarbij commerciële partijen strijden om de aandacht van mensen in die publieke ruimte. Op Times Square in New York strijden de grote reclameborden om de aandacht van mensen, waardoor er een grote mate van informatie push ontstaat. Publieke ruimtes zouden echter de mogelijkheid moeten bieden om elementen in de ruimte te veranderen. Hierdoor wordt de publieke ruimte gevormd door de mensen. Het eerste aspect, informatie-uitwisseling, draait dan ook om het veranderen van publieke ruimtes met een hoge mate van informatie push naar een ruimte met een hoge mate van informatiedialoog. Bij het tweede aspect kijken Eriksson et al. naar de mogelijkheid die een mobiele telefoon kan bieden om te engageren in publieke activiteiten. Hierdoor verandert de mobiele telefoon van een introvert medium naar een medium dat de toegang biedt tot digitale interactie en aanwezigheid in een publieke ruimte. De mate van sociale ondersteuning richt zich dus op het gebruik van de mobiele telefoon in de persoonlijke sfeer, tegenover het gebruik van de mobiele telefoon waarmee een sociale interactie kan worden aangegaan met mensen in diezelfde omgeving. Het derde aspect, de mate van regulering, richt zich vooral op de vrijheid die mensen in publieke ruimtes hebben om zichzelf uit te drukken. De huidige trend is dat er steeds meer regels en surveillancemaatregelen komen in publieke ruimtes. Maar, een publieke ruimte zou juist moeten bestaan uit een hoge mate van zelfregulering, zodat mensen worden geïnspireerd en de publieke ruimtes levendiger worden.

pots III

Figuur 2: Drie designaspecten voor sociale interactie in een publieke ruimte (Eriksson et al. 2)

Eriksson et al. stellen dus dat een applicatie die beschikt over een hoge mate van informatiedialoog, sociale interactie en zelfregulering de potentie heeft om sociale interactie in een publieke ruimte te stimuleren. Tot in hoeverre beschikt Layar over deze eigenschappen?

Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig te geven. Layar beschikt namelijk over verschillende “lagen” die kunnen worden geactiveerd. Een gebruiker kan zelf kiezen welke laag hij of zij wil zien, en dit loopt uiteen van de dichtstbijzijnde pinautomaten tot real-time informatie over de vliegtuigen in de lucht. Uit analyse blijkt dat Layar een aantal sociale mogelijkheden biedt.

In 2009 heeft Layar de functionaliteit toegevoegd waarbij alle lagen kunnen worden gedeeld via Facebook, Twitter en email (Kirkpatrick). Hierbij maakt het niet uit welke informatie de laag geeft, de laag kan worden gedeeld met iedereen. In principe is hierbij zowel de mate van informatie-uitwisseling als de mate van sociale interactie niet hoog. Een andere manier waarop Layar een sociale bezigheid kan zijn, wordt beschreven door Paul Stork. Stork schrijft over het experiment “Ik op het museumplein,” waarbij virtuele kunst via Layar te zien was op het Museumplein in Amsterdam. Stork beschrijft dat dit een interessante sociale bezigheid bleek te zijn, doordat er steeds kleine groepjes mensen over het Museumplein liepen die druk aan het discussiëren waren terwijl zij naar het mobiele schermpje keken. In 2010 werd daarnaast AR-messaging toegevoegd aan Layar (Starkenburg). Vanaf dat moment konden gebruikers berichten achterlaten in de verschillende lagen van Layar. Het was hierbij ook mogelijk om te reageren op de berichten van anderen. Deze functionaliteit vergroot de mate van informatie-uitwisseling en sociale interactie. Bovendien heeft het AR-messaging systeem een hoge mate van zelfregulering doordat andere gebruikers het bericht een zogenaamd “cookie” kunnen geven waardoor de levensduur van het bericht wordt verlengd. Op het moment dat een bericht geen cookies ontvangt van andere gebruikers, wordt het bericht na een bepaalde tijd automatisch verwijderd. In dit geval zorgen de gebruikers er dus voor dat het systeem zelfregulerend is. AR-messaging kan dus gezien worden als een voorbeeld dat een sociale interactie in een publieke ruimte kan stimuleren.

Met bovenstaande voorbeelden kan beargumenteerd worden dat alle lagen van Layar in principe een sociale mogelijkheid bieden op drie manieren. De eerste manier werkt via het delen van virtuele lagen met vrienden. De tweede manier ontstaat doordat meerdere mensen samen met een mobiele telefoon virtuele lagen bekijken, zoals dat bij de virtuele kunst op het Museumplein het geval was. De derde manier ontstaat via het systeem van AR-messaging.

Met deze bevindingen kan gesteld worden dat mobile AR nog steeds vanuit het positieve oogpunt van Gergen bekeken kan worden. Maar bovenstaande voorbeelden lijken zich op een andere manier te verhouden tot de manier waarop Gergen schrijft over de sociale mogelijkheden van een mobiele telefoon. Het delen van virtuele lagen komt dicht in de buurt van de manier waarop Gergen schreef over de mobiele telefoon in 2002. Er ontstaat namelijk een sociale interactie met (vooral) vrienden, familie en collega’s die op dat moment niet aanwezig zijn in die omgeving.

De andere twee toepassingen van mobile AR, het rondlopen op het museum plein en AR-messaging, stijgen echter boven de betekenis van absent presence uit. Er is geen sprake meer van enige absentie. Gebruikers zijn én present in hun fysieke omgeving, én kunnen een sociale interactie aangaan met mensen in die omgeving. De manier waarop wij ons verhouden tot de mensen in die omgeving kan daarom radicaal veranderen ten opzichte van de manier waarop Gergen deze verhouding tussen technologie, gebruiker en omgeving beschreef met absent presence.

Doordat er een aantal duidelijke sociale mogelijkheden zijn voor een gebruiker van mobile AR kan geconcludeerd worden dat de smartphone op deze manier (nog) geen overeenkomsten vertoont met de privatiserende (monologic) communicatietechnologieën. De positieve manier van denken over een mobiele telefoon, zoals Gergen dit deed, kan worden doorgetrokken naar de smartphone anno 2013.

Conclusie

In dit artikel is beschreven op welke wijze er bij mobile AR nog sprake is van het positieve beeld dat Kenneth J. Gergen met het concept absent presence had over de bevordering van sociale interactie via een mobiele telefoon. Gergen stelde dat een mobiele telefoon zich op een zeer positieve wijze onderscheidt van alle andere media omdat het de gebruiker niet onderdompelt in een andere wereld maar de nadruk op het sociale vooropstelt. Er is gebleken dat er bij Mobile AR geen sprake kan zijn van een volledige onderdompeling. Ook is beschreven dat AR een sociale interactie kan ondersteunen. Hiermee kan een smartphone met AR met de theorie van Gergen nog steeds vanuit eenzelfde positief oogpunt worden bekeken.

Daarnaast is gebleken dat diverse toepassingen van AR het concept absent presence overstijgen doordat men met de technologie fysiek aanwezig blijft in de omgeving, en zelfs een sociale interactie kan aangaan met mensen in diezelfde omgeving. Dit betekent dat onze perceptie van het lopen door een ruimte radicaal kan gaan veranderen. Ten eerste verandert hierbij de relatie die wij met anderen in dezelfde ruimte hebben. We zijn namelijk op een geheel nieuwe manier aanwezig in een ruimte waarbij vreemdelingen kunnen veranderen in sociale contacten met mobile AR. Ten tweede verandert onze opvatting van een publieke ruimte fundamenteel. Veel publieke ruimtes die nu in een grote mate gecommercialiseerd zijn, zoals Times Square, kunnen interactiever en socialer worden. Dit gevolg was bijvoorbeeld op een kleine schaal te zien op het Museumplein op het moment dat er via Layar virtuele kunst bekeken kon worden. Dit betekent dat er nog minder sprake is van een privatiserende invloed en dat een mobiele telefoon nog meer sociale mogelijkheden kan bieden dan Gergen in 2002 kon voorzien.

Aan de andere kant kunnen hier kanttekeningen worden geplaatst. Zoals ook Starkenburg beschrijft, maken de meeste AR-diensten nog geen deel uit van het dagelijkse leven van de gebruiker. Het is daarmee nog onduidelijk op welke wijze mobile AR eventueel een inpassing vindt in de dagelijkse praktijken. De positieve kijk op mobile AR nog kan daarom veranderen in de toekomst. Toekomstige mobile AR applicaties in de toekomst kunnen wellicht het sociale weer ondermijnen, en wel een privatiserende en onderdompelende werking hebben. Het is daarom van belang om de komende jaren te blijven reflecteren op de manier waarop mobile augmented reality sociale en culturele veranderingen teweegbrengt in de dagelijkse ruimtelijke en sociale praktijken van mensen.

Literatuurlijst

Azuma, Ronald T. “A Survey of Augmented Reality.” Media 6.4 (1997): 355–385.

Baron, Naomi S. “Concerns About Mobile Phones: A Cross-national Study.” First Monday 16.8 (2011).

Cameron, Chris. “Come Get Social with Layar!” Blog 16 Jun 2011. 29 Dec. 2011 < http://www.layar.com/blog/2011/06/16/come-get-social-with-layar/>.

Campbell, Scott W, and Yong Jin Park. “Social Implications of Mobile Telephony: The Rise of Personal Communication Society.” Sociology Compass 2.2 (2008): 371–387.

Eriksson, Eva, et al. “Reclaiming Public Space: Designing for Public Interaction with Private Devices.” 1st International Conference on Tangible and Embedded Interaction TEI 07. ACM Press, 2007.

Gergen, Kenneth J. “Self and Community in the New Floating Worlds.” Ed. János Kristóf Nyíri. Mobile democracy essays on society self and politics (2002): 103–114.

—. “The Challenge of the Absent Presence.” Perpetual Contact Mobile Communication Private Talk Public Performance. Ed. J Katz & M Aakhus. Cambridge University Press, 2002. 227–241.

Groenhart, Maurice. “Layar Opens for Mainstream Business.” Blog 15 feb 2010. 28 Dec. 2011 < http://www.layar.com/blog/2010/02/15/layar-opens-for-mainstream-business/>.

Humphreys, L. “Cellphones in Public: Social Interactions in a Wireless Era.” New Media & Society 7.6 (2005): 810–833.

Höllerer, Tobias, and Steven Feiner. “Mobile Augmented Reality.” Ed. H Karimi And A Hammad. Science (2004): 1–39.

Kirkpatrick, Marshall. “New Version of Layar Makes Augmented Reality Social.” Readwrite 30 Aug 2009. 11 Dec. 2011 <http://readwrite.com/2009/08/30/new_version_of_layar_makes_augmented_reality_socia>.

Manovich, Lev. “The Poetics of Augmented Space.” Visual Communication 5.2 (2006): 219–240.

Milgram, P. et al. “Augmented Reality: A Class of Displays on the Reality-virtuality Continuum.” Ed. Hari Das. Systems Research 2351.Telemanipulator and Telepresence Technologies (1994): 282–292.

Puro, Jukka-Pekka. “Finland: a Mobile Phone Culture.” Perpetual Contact Mobile Communication Private Talk Public Performance. Ed. James E Katz & M Aakhus. Cambridge University Press, 2002. pp 19–29.

De Souza E Silva, Adriana. “Re-Conceptualizing the Mobile Phone – From Telephone to Collective Interfaces.” Society 4.2 (2006): 108–127.

Starkenburg, Jannemiek. “Layar Zet Eerste Stappen Op Sociaal Pad.” Emerce 21 Jun 2010. 11 Dec. 2011.

Stork, P. “Layar Next: What’s Next in Mobile Augmented Reality – Frankwatching.” 2010. Web. 11 Dec. 2011 < http://www.emerce.nl/nieuws/layar-zet-eerste-stappen-op-sociaal-pad>.

Sutherland, Ivan. “A Head-mounted Three Dimensional Display.” Proceedings of the December 911 1968 fall joint computer conference part I on AFIPS 68 Fall part I 1866.16 (1968): 757.

 

 

 

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

Threat #1: The Conservative Idea of America door Pauline Le

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Pauline Le.

Threat #1: The Conservative Idea of America.

Satire aan het werk in ‘The ThreatDown’ van The Colbert Report. Door Pauline Le

Colbert Report

Abstract

In media en populaire cultuur is satire een expressievorm die dominante vertogen in de maatschappij ondermijnt, denaturaliseert en bekritiseert. In dit artikel wordt aangetoond hoe satire ingezet kan worden als een politiek middel. Opinie- en punditprogramma’s op Fox News—waarin de extreemrechts conservatieve (geo)politieke agenda centraal staat—stellen dat de machtige Verenigde Staten beschermd moeten worden tegen negatieve en niet-Amerikaanse invloeden. Dit artikel haakt in op de manier waarop het segment ‘The ThreatDown’ van het satirisch (nieuws)programma The Colbert Report (Comedy Central, 2005-heden) satire gebruikt om Fox News en de bijbehorende conservatieve politieke agenda aan de kaak te stellen. Aan de hand van een combinatie van genre- en discoursanalyse wordt geclaimd dat ‘The ThreatDown’ parodie en humor inzet om de dominante conservatieve vertogen over de nationale identiteit van de VS te denaturaliseren. ‘The ThreatDown’ biedt ruimte voor onderhandeling met die vertogen. De case-study pleit voor de (politieke) relevantie van satire en parodie in het kritisch begrijpen van mediateksten in de hedendaagse politieke en populaire mediacultuur. De werking van parodie wordt in kaart gebracht, en deze wordt gerelateerd aan parodie in bredere context ten einde bij te dragen aan het theoretische debat over satire en populaire geopolitiek in het veld van Mediastudies.

Read more

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

Sociaal Kapitaal door Michelle Oosthuyzen

In de aanloop naar de ScriptiePitch posten wij iedere dag een artikel van een oud-pitcher. Vandaag de beurt aan Michelle Oosthuyzen.

Sociaal kapitaal: de ideologische discussie voorbij

Een analyse van het discours omtrent de sociale en maatschappelijke effecten van nieuwe mediatechnologieën in het licht van sociaal kapitaal. Door Michelle Oosthuyzen.

Het debat

Sinds jaar en dag worden nieuwe technologieën instinctief gewaardeerd en afgemeten aan de (menselijke) lat van sociale impact: wat voor invloed hebben technologieën op ons als mensen? Als het gaat om het discours rondom de sociale impact van nieuwe mediatechnologieën, zien we hoe steeds dezelfde debatpartners een plaats tegenover elkaar innemen. De binaire splitsing tussen cyberoptimisten en cybersceptici wordt gedurende de jaren gecreëerd door representaties van nieuwe mediatechnologieën binnen het populair en academisch discours, die gepaard gaan met zowel utopische als dystopische uitspraken over de sociale effecten van technologie.[1]

Over één ding lijken de debatpartners het eens te zijn: ons menselijk bestaan ​​is intens verweven met technologieën. Het cyberoptimistisch gedachtegoed draagt hierbij een sterk vooruitgangsgeloof uit, waarbij mensen wereldwijd verbonden zouden raken door middel van nieuwe communicatietechnologieën. Zoals virtuele gemeenschappen in de jaren negentig, zorgen het concept ‘web 2.0’ en ‘sociale media’ vanaf de jaren nul voor utopische uitspraken over connectiviteit en sociale vooruitgang, mede mogelijk gemaakt door het internet. Cybersceptici waarschuwen daarentegen dat het internet tot sociale vervreemding van het ‘echte’ leven leidt, waarbij online vormen van communicatie de plaats zouden innemen van waardevolle face-to-face interactie, met als gevolg een verzwakking van de gemeenschap. Deze opvatting wordt ook wel de time displacement hypothesis genoemd en werd in 2002 gesteund door het onderzoek van Norman Nie en Lutz Erbring, die concluderen dat de tijd die men spendeert op het internet ten koste gaat van tijd gespendeerd met ‘echte’ mensen.[2]

Ondanks dat het debat zich voortzet met dezelfde debatpartners, zien we dat door het gebruik van nieuwe concepten en metaforen het debat een nieuwe vorm kan aannemen. Een voorbeeld van zo’n concept is sociaal kapitaal: een metafoor waarbinnen de sociale structuur wordt gepresenteerd als kapitaal dat voor bepaalde individuen, groepen en maatschappijen een competitief en/of productief voordeel kan opleveren in het nastreven van bepaalde doelen. Dit roept de vraag op in hoeverre het concept ‘sociaal kapitaal’ handvaten biedt om de tegenstellingen binnen dit debat te analyseren en te begrijpen. Door het analyseren van dit discours zal ik dit concept daarom beoordelen op zijn werkzaamheid en vruchtbaarheid voor de analyse van de effecten van het internetgebruik op het maatschappelijke en sociale leven. Dit onderzoek geeft antwoord op vragen als: ‘Waar liggen de aanknopingspunten met reeds bestaande opvattingen?’ en ‘In hoeverre worden bestaande tegenstellingen bevestigd met het oog op vooraannames?’ Waar zijn nieuwe discussiepunten te erkennen en in hoeverre bieden deze nieuwe inzichten, waardoor er aan ideologische discussies voorbij kan worden gegaan? Het doel is om middels deze analyse een bepaald zwart-witdenken uit de weg te gaan, door de vooraannames van zowel cyberoptimisten als cybersceptici expliciet te maken en vervolgens ruimte te creëren voor een analyse van nieuwe patronen van sociabiliteit binnen de transformerende gemeenschap, die voortvloeien uit het gebruik van het internet. Vervolgens zal ik een nieuw concept introduceren om deze nieuwe patronen van sociabiliteit als basis van de gemeenschap beter te kunnen begrijpen.

Read more

Posted on by admin in Uncategorized Leave a comment

OPENING: Maurice Seleky

Naast een ideale locatie om te netwerken, je studieloopbaan te plannen, interessante lezingen te volgen en met interactief vermaak bezig te zijn is We Play Culture ook een podium voor veelbelovende talenten. Zo wordt de dag geopend door Maurice Seleky, schrijver van Ego Faber, door BN de Stem geroemd als de ‘Titaantjes van de tegenwoordige tijd.’ Seleky ontving voor zijn boek de BoArte Cultuurprijs. Tijdens deze opening zal Seleky zijn blik op het overkoepelende thema “Power to the People” geven.

Posted on by admin in Nieuws, Opening Leave a comment

Life Needs Internet?!

De democratisering van de media; een vervlogen gelijkheidsideaal uit het – eveneens vervlogen – Cyberspace tijdperk. Tegenwoordig spreken we van “digital divide” en niet voor niets, zo toont Life Needs Internet, de installatie van Jeroen van Loon. De centrale vraag – aan de kijker om die te beantwoorden: is toegang tot het internet noodzakelijk voor een goed leven anno 2012?

Jeroen van Loon reisde de wereld over en verzamelde, heerlijk traditioneel, handgeschreven brieven over de invloed van toegang tot het internet op het eigen leven. Het resultaat is een indrukwekkend kunstproject dat uiteenlopende perspectieven naast elkaar zet. Van de uithoeken van Azie tot hier in Nederland heeft de komst van digitale media levens beinvloed en veranderd. In West-Papua is internet een onbekend fenomeen – het is als vragen naar een omschrijving van het uiterlijk van Ronald McDonald – in Singapore bruist de metropool dankzij toegang tot de digitale media en, wellicht ten overvloede, in Nederland is een leven offline ondenkbaar.

Deze, en meer visies zijn te zien op We Play Culture: in de Kleine Zaal wordt Life Needs Internet vertoond tussen het reguliere programma door en in de Grote Zaal geeft Jeroen van Loon een lezing over zijn kunstprojecten. Voor nu, meer informatie is te vinden op www.jeroenvanloon.com.

 

Posted on by admin in Interactief Vermaak, Lezing Leave a comment

Interactief Vermaak: de PanoptICONS

De brandstapel en de guillotine vinden als eliminator van het kwaad een subtiele opvolger in de hedendaagse beveiligingscamera. Onraad is overal, zo luidt het credo ter rechtvaardiging van cameratoezicht. Volgens Thomas en Bas, de leden van kunstenaarsduo Front404 en bedenkers van de PanoptICONS, gaan we te ver. Camera’s verspreiden zich als een plaag door de stad; onze privacy moet wijken voor de illusie van veiligheid.

Ook de bedrijvigheid op We Play Culture zal nauwlettend in de gaten gehouden worden zij het niet door regulier cameratoezicht, maar door de PanoptICONS; een disciplinerende macht in de vorm van cameravogels die als vanzelf goed gedrag – dat is de intellectuele participatie! – bewerkstelligt. REC, je wordt gefilmd en, belangrijker, je weet dat je gefilmd wordt. En daar is het de bedenkers van de PanoptICONS om te doen: om het besef van draaiende camera’s in het dagelijkse leven en om het provoceren van de vraag naar het waarom.

Zie voor meer informatie en filmpjes www.panopticons.nl.

Posted on by admin in Interactief Vermaak Leave a comment